Woensdag, 1 januari, 2020

Geschreven door: Beurskens, Huub
Artikel door: Heumakers, Arnold

Wilde boomgaard

Een boek met veel gezichten

[Recensie] Wilde boomgaard, de nieuwe roman van Huub Beurskens, is een boek met veel gezichten. Het begint als een jeugdherinnering, wordt onderbroken door een lang parabel-achtig verhaal, kent een fantastische wending en herinnert nu eens aan het grand guignol, dan weer aan een smartlap. Duidelijk is dat Beurskens het minder geslaagde realisme van zijn vorige roman Leila weer heeft laten vallen. Net als in het merendeel van zijn overige werk regeert de vrije verbeelding.

Waar de verbeelding ditmaal haar oorsprong vindt, is ook duidelijk: in de frustratie van de verteller, een zekere Lerrie. Met hem maken we kennis, terwijl hij als bijna 14-jarige puber samen met klasgenoten een vlotte pater van zijn middelbare school bezoekt. Een bezoek vol schaamte en verlegenheid, en dat blijken gevoelens te zijn waar Lerrie vaker last van heeft. Met name wanneer de mooie Lona in beeld komt, op wie hij even heimelijk als hopeloos verliefd is. Compensatie zoekt hij in de `wilde boomgaard’ achter de boekerij van Vogel Ties, zijn private `tuin der lusten’, waar masturbatie en overspannen machtsdromen tijdelijk soelaas bieden.

Uit angst voor Eros en het vaderschap dat daarvan het gevolg kan zijn, neemt hij zich voor altijd alleen te blijven, alleen met zijn `blik’ die “de wereld [zou] gaan bepalen.” Het merkwaardige verhaal dat een oude man hem vertelt, doet echter vermoeden dat hier geen zegen op rust. Dat komt uit, want alles loopt vreselijk in het honderd zodra zijn fantasieën over de `drievuldigheid’ van Vogel Ties, Lona en pater Gregor werkelijkheid dreigen te worden. Halsoverkop dringt nu de grand guignol het relaas binnen, in de vorm van een aanranding, een zelfmoord en op de koop toe ook nog een brand, die Lerrie’s `tuin der lusten’ grotendeels in de as legt.

Lerrie besluit voortaan als “een kereltje van over de tachtig” door het leven te gaan: “het idee alleen al dat je je volwassenheid compleet hebt overgeslagen maakt het hele verdere leven tot wilde boomgaard.” Wederom wacht hem een teleurstelling. “Halfheid was ik,” hebben we dan al vernomen; en ook dat klopt, althans bij benadering, want de fantastische metamorfose die volgt maakt hem niet vierentachtig maar slechts vierenveertig jaar oud. De smartlap dient zich aan, als hij in die hoedanigheid (getrouwd nog wel en voorzien van nageslacht) opnieuw Lona en pater Gregor tegen het lijf loopt. De `drievuldigheid’ is compleet, maar de schaamte blijft en Lerrie weet na een `theatrale’ liefdesverklaring plus ejaculatie niets beters te doen dan om zijn tevoren verloochende `mamma’ te lispelen.

Wordt Vervolgd

Wilde boomgaard is een bizar geheel, zoals men ziet, in de verte te vergelijken met de `gelogen’ autobiografie die mede-Gidsredacteur Stefan Hertmans eerder dit jaar onder de titel Naar Merelbeke publiceerde. Dichterbij is de gelijkenis met het werk van een andere, beroemdere collega. In het verleden kostte het mij vaak de grootste moeite tijdens het lezen van Beurskens’ proza niet aan Cortazar, Kafka of Beckett te denken; hoewel zijn naam niet één keer genoemd wordt, was het nu Witold Gombrowicz die zich tussen en in de regels hardnekkig aan mij opdrong.

Lerrie’s worsteling met de `kindsheid’ en zijn verandering in een 44-jarige lijken zo uit Ferdydurke te komen, ook al maakt de metamorfose hem ouder in plaats van jonger. Zijn `goddelijke’ machtsdroom over het door hem te smeden drievuldige `verbond’ tussen Vogel Ties, Lona en pater Gregor correspondeert met soortgelijke dwangmatige associaties in Kosmos. Zelfs de stijl, getuige een zin als “Er had nog een priester bij gemoeten, Warner, Gregor Warner, alleen nog een priester…” of een uitdrukking als “met mijn gezicht in mijn handen,” is soms regelrecht van de Poolse meester afkomstig.

Onwillekeurig werpt dit een schaduw op de authenticiteit van Beurskens’ literaire verbeelding. In zijn roman tracht hij uit de meest heterogene elementen (het beschreven landschap is bijvoorbeeld zowel Grieks als Limburgs) een eigen universum te scheppen. Maar aangezien zoveel essentieels van een ander is afgekeken, wil dat niet echt lukken. Terwijl Gombrowicz erin slaagt op papier een complete en autonome wereld op te roepen, die onvervreemdbaar eigen is, blijft Beurskens’ creatie een geleende, halfslachtige en vooral ook zeer geforceerde indruk maken. Iemand zit hier uit alle macht literatuur te fabriceren, en wel van een – tot zijn psychologische kern teruggebracht – tamelijk banaal gegeven.

Tussen de vele gezichten van de roman ontbreekt dat van Beurskens zelf. Hoewel – helemaal ontbreken doet het bij nader inzien niet. Karakteristiek en niet direct tot Gombrowicz of wie dan ook te herleiden zijn de lyrische erupties, verbale stroomversnellingen en cascades, waarin de taal (inclusief zulke om Van Dale smekende woorden als `knoterend’, `reuring’ en `lats’) met de schrijver aan de haal gaat. Daar verraadt zich telkens even de dichter die Beurskens ontegenzeggelijk is – van de romancier die hij wil zijn, ben ik op grond van de rest van Wilde boomgaard minder zeker.

Eerder verschenen in De Volkskrant