Donderdag, 1 april, 2021

Geschreven door: Yanagi, Soetsu
Recensie door: Reinewald, Chris

The Beauty of Everything Things

Een ding bezielt en bezield

[Recensie] Aanbevelingen van Edmund de Waal, Brits minimaal-keramist en zijn landgenoot Jasper Morrison, ontwerper van de basale, uitgepuurde vorm, suggereren waarom zij de Japanse filosoof en volkskunstvoorvechter Soetsu Yanagi (1889-1961) waarderen.

Soetsu bepleit volgens Morrison en De Waal een door Zen beĂŻnvloede hart-hand verbinding bij het vormgeven van gebruiksvoorwerpen.

Iets-willen-gaan-maken blijft altijd spannender dan iets gemaakt-te-hebben. Door het maken schept een ambachtsman of kunstenaar niet alleen een ding. Er hoort ook een denk-en beoordelingsproces bij dat het artistieke alter ego vormt, maar buiten beeld blijft. Telkens wanneer het maakproces voltooid is gaan het gemaakte en de maker elk hun eigen weg. De maker kijkt niet terug maar wil weer verder vooruit.

Over het ambachtelijk maakproces schreef Richard Sennett in ‘The Craftsman’ (2008):

Ons Amsterdam

“Ambachtelijkheid staat voor een blijvende, menselijke neiging: het verlangen om werk goed te doen omwille van het werk zelf, waardoor we vaardigheden ontwikkelen en gericht zijn op het werk in plaats van onszelf.”

Anders gezegd: niet het verstand maar ervaring zorgt dat onze makende handen weten wat te doen. Makerskapitaal huist zogezegd in de vingertoppen.

Die mening is Soetsu Yanagi ook toegedaan. Al zo’n 90 jaar geleden noteerde hij zijn denkbeelden over wat alledaagse Japanse voorwerpen zo mooi maakt. Het is of de maker een voorwerp dat hij maakt van nature bezielt met respect en affectie.

Aquino en Shinto

Sinds Japan zich halverwege de 19de eeuw niet langer meer voor de buitenwereld afsloot bereikten hun ambachten en sierkunsten een grote status in het Westen. Die verfijning! Die uitgepuurheid!

In zijn poetische essay Lof der schaduw (1933) beschrijft de romancier Junichiro Tanizaki zijn lof voor handgeschept papier, zijn afkeer voor Westers electrisch licht (vloekt bij de teint van de Japanse vrouw) en het moderne watercloset: liever ontlast hij zich in een buitentoilet met geritsel van herfstbladeren. Tanizaki slaat door, maar eigenlijk verwoordt hij zijn verdriet over het moderniseren van zijn vaderland.

Ook Soetsu Yanagi wil het eigenste mooie van Japanse ambachten en volkskunsten bewaren.

Ze verdienen zorg, respect en toewijding. Juist omdat het vaak niet als autonome kunst wordt beschouwd maar louter dienend en toegepast. Ondanks verschillende emancipatieslagen van kunstenaars die met klei, glas, textiel werken of sieraden werken, worden zij tegenwoordig weer afgeserveerd tot het tweede plan.

Het hoogtepunt van de bundel is een hoofdstuk waarin Yanagi stelling neemt tegen de kunsthistorici die zich louter door theorie laten leiden. Hun kennis staat hun intuĂŻtie om een object puur op zijn schoonheid en zeggingskracht te bekijken in de weg. Academici die niets met een kunstuiting kunnen aanvangen omdat het niet in hun hokjesdenken past.

Yanagi citeert zelfs Thomas van Aquino: “Net als het onmogelijk is om God te kennen, bestaan er geen woorden die de kennis van God onthullen.” Hiermee schuift Yanagi dicht aan tegen de Shinto-filosofie waarin alle door mensen gebruikte voorwerpen – ook een telefoon – aangeraakt en bezield worden door ontelbare, onzichtbare godheden.

Yanagi beschrijft waarom hij een vaas technisch zo mooi gedraaid vindt of hoe perfect een handschrift is gekalligrafeerd: omdat het via zijn handen ingeblazen lijkt door de adem van de maker.

Bekijk het nederige theepotje op het omslag: geen decoratie, functionele niet overdreven sierlijke pootjes, een tuit, een hengsel. Verder is het pocketboekje vrijwel ongeĂŻllustreerd dus moet je Yanagi op zijn woord geloven voordat je naar de afbeeldingen googelt.

Schaamte

Net als Tanizaki bevindt Yanagi zich ook op een breekpunt in de Japanse geschiedenis.

De Japanse bezetting van Korea vervult Yanagi met diepe schaamte. Brute landgenoten in uniform denderen over het verfijnde Koreaanse broedervolk heen. Hij vraagt, bidt ze om vergiffenis.

Hier raakt Yanagi ook een niet-politiek punt. Veel ambachten – papier, metaalbewerking, keramiek – waarin Japan excelleert stammen uit omliggende landen. China en Korea Ă©n hun ambachten werden geregeld door Japan veroverd en aldoende (om Gerrit Komrij te citeren) “onherstelbaar verbeterd.”

Tot 1945 genoten de allerbeste ambachtsmensen een hoge status. Ze werkten exclusief voor de keizer en genoten allerlei privileges. (Assistenten om een tentoonstelling in te richten. De mooiste plaatsen in het theater.) Nadat keizer Hirohito zich van zijn goddelijke status ontdeed, werden zijn ambachtsmensen tot genummerde, “levende nationale schatten” benoemd.

Hier doet zich een schisma met Westerse collega’s voor. Japanse artistiek-ambachtelijke handelingen worden beoordeeld, gewaardeerd en vervolgens nauwkeurig omschreven. Nooit mogen zij het anders doen zoals omschreven. Ontwikkeling blijft uit en het ambacht zal zichzelf routineus uithollen. Aan deze discussie komt Yanagi niet toe. Hij wordt in beslag genomen door zijn Japanse volksambachtmuseum in Tokio.

Zijn zoon Soni wordt later designer. Hij maakt een vlinderachtige houten kruk. Dit designicoon draagt alles in zich waarvoor zijn vader naar bescheiden woorden moest zoeken.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles