Woensdag, 19 augustus, 2020

Geschreven door: Ekirch, Roger
Artikel door: Lansink, Cyril

Nacht en ontij

Duistere praktijken

[Recensie] In de historische onderzoeken van het dagelijkse leven komt de nacht er bekaaid van af. Alsof er tussen zonsondergang en zonsopgang te weinig gebeurde om een studie naar de geschiedenis van het duister te rechtvaardigen. Niets is minder waar, zo blijkt uit het boek Nacht en ontij van de Amerikaanse historicus Roger Ekirch. Gebruikmakend van een stortvloed aan uiteenlopende bronnen (brieven, memoires, reisverslagen, kranten, volksverhalen, woordenboeken, medische verhandelingen, rechtbankprocessen etc.) heeft hij de rijke nachtcultuur van de voormoderne tijd (ruwweg van 1500 tot 1750) tot leven gewekt.

Zo komen de rituelen van de slaapkamer gedetailleerd ter sprake, evenals de manieren waarop mensen uit hun slaap werden gehouden en de betekenis die ze aan dromen toekenden. Slapen was echter niet de enige bezigheid, en voor veel mensen zeker niet de belangrijkste. De nacht was ook de tijd van de activiteiten die het daglicht niet konden verdragen. Vermakelijk om te lezen is Ekirchs bespreking van een van de meer onschuldige daarvan: het zogenaamde ‘opzitten’. In deze aan regels gebonden nachtelijke hofmakerij, meestal in het huis van de ouders van het meisje, ‘onderzochten’ jonggeliefden hun huwelijkskansen, zonder dat ‘het’ er van kwam. “De jongeman mocht zijn jasje en schoenen uitdoen, maar meer niet.”

Uitgebreid gaat de auteur in op de maatregelen die de overheden namen om het volk ook ’s nachts in het gareel te houden. Maar ondanks avondklokken, nachtwachten en kerkelijke vermaningen konden met name de lagere klassen zich vrijheden veroorloven die in de hiërarchische verhoudingen van overdag ondenkbaar waren. “Na het vallen van de duisternis verschoof de macht van de sterkeren naar de zwakkeren in de maatschappij.”

Bovenal wil de schrijver duidelijk maken dat de nacht werd beleefd als een onheilspellende tijdsspanne, zwanger van allerhande gevaren, denkbeeldige en reële. In het donker was een mens niet veilig, dat was de algemene opvatting. De nacht is niemands vriend, luidde een bekend gezegde. Geweld, berovingen, brand, ongelukken – de kans er na het vallen van de avond slachtoffer van te worden was groot, veel groter dan tegenwoordig, aldus Ekirch. En dat kwam niet in de laatste plaats door het feit dat er eenvoudigweg nauwelijks licht was om de gevaren te (voor)zien. In die tijd is menigeen ongemerkt een Amsterdamse gracht ingelopen en verdronken. “We tastten rond als dieven in een kolenhok,” schreef een Londenaar over de manier waarop mensen in de stad hun weg probeerden te vinden. En zo’n situatie is alleen voor dieven gunstig.

Boekenkrant

Maar hoeveel verrassende wetenswaardigheden ook, het boek is wetenschappelijk gezien niet geslaagd te noemen. Het blijft toch vooral een nogal willekeurige opeenstapeling van feiten, voorbeelden, anekdotes, ontboezemingen, gezegdes en citaten, die zonder veel omhaal aan algemene uitspraken worden gekoppeld. Van weging en toetsing van alle informatie die over de lezer wordt uitgestort is in het boek niets terug te vinden. Met zijn boek werpt Ekirch veel licht op de nacht maar duister blijft wat de samenhang en de verklarende kracht is van al zijn bijeengesprokkelde gegevens.

Eerder verschenen in Intermediair