Vrijdag, 9 april, 2021

Geschreven door: Coe, Jonathan
Recensie door: Verplancke, Marnix

Meneer Wilder en ik

Een intieme roman over een bejaarde regisseur

[Interview] Als twintiger, en dus lang voor hij met What a Carve Up! de succesroman schreef die garant stond voor zijn entree in de hoogste regionen van de Britse literatuur, verdiende Jonathan Coe zijn boterham als literair journalist. Hij sprak toen heel wat schrijvers, maar een interview staat hem nog voor de geest als deed hij het gisteren, dat met Anthony Burgess. De auteur van A Clockwork Orange was inmiddels al in de zeventig, maar hij bruiste nog steeds van de nieuwe ideeën. En toch zou hij nooit nog een eigentijdse roman schrijven, zei hij, “Ik snap niets meer van het huidige Groot-Brittannië,” legde hij uit, “of van de jongeren van vandaag”. Voor Coe was het een openbaring, iets waaraan hij nog nooit had gedacht, dat er in het leven van een schrijver een moment komt waarop hij plaats dient te maken voor nieuwe verhalenvertellers.

“Ho maar,” lacht hij wanneer ik vraag hoe oud hij is, “Ik word dit jaar zestig, dus ik heb nog wel een jaar of tien te gaan, maar ik beken dat ik de hete adem van mijn opvolgers regelmatig in de nek voel. Onlangs publiceerde The Guardian een portret van mij waarin ik ‘een ouder staatsman’ werd genoemd, terwijl het nog maar gisteren lijkt dat ik een ‘beloftevolle, jonge schrijver’ was. Op zo’n moment begin je toch even na te denken.”

De aanleiding voor het portret was Jonathan Coe’s nieuwste roman, Meneer Wilder en ik, waarin hij het verhaal vertelt van de Grieks-Britse Calista, een componiste van filmmuziek die al vijftien jaar geen serieuze opdracht meer heeft gehad, zich daarom meer en meer op de opvoeding van haar twee dochters is gaan concentreren en een enorme leegte in haar leven voelt wanneer deze de leeftijd bereiken waarop ze het veilige nest verlaten en hun eigen weg gaan. Componeren en opvoeden, de hoekstenen van haar bestaan, zijn opeens niet langer gewenst. En daarom denkt ze terug aan de zomer van 1977, toen ze via een vriendin in contact kwam met Billy Wilder, de regisseur van kaskrakers als Sunset Boulevard, Some Like it Hot en The Apartment. Hij werkte aan een nieuwe film, Fedora, en vroeg haar op Korfoe te tolken voor zijn crew. Wilder, in 1906 in Polen geboren als zoon van joodse ouders en opgegroeid in Wenen, tot hij aan de vooravond van WO II naar Amerika vluchtte, was toen een zeventiger die worstelde met wat we maar even het Anthony Burgess-syndroom zullen noemen. Vijftien jaar eerder wist hij geen blijf met zijn Oscars, maar voor Fedora vond hij geen financiering. Alleen een paar Duitsers zagen er brood in, wat Wilder de bittere opmerking ontlokte dat als de film een succes zou worden het zijn wraak op Amerika zou zijn, en werd het een flop, dan was het zijn wraak op Duitsland. En dat laatste werd het dus, een gigantische wraak zelfs, want de film werd door de kritiek neergesabeld als volstrekt voorbijgestreefd en toen hij slechts hier en daar in roulatie kwam, trok hij amper bioscoopbezoekers.

“Ik speelde al twintig jaar met het idee om een boek te schrijven over Billy Wilder,” verklaart Coe de setting van zijn nieuwe roman, “en opeens leek de tijd er rijp voor. Ik had net Middle England afgewerkt, mijn grote brexit-roman en was klaar voor iets kleiners, intiemers en ook veel persoonlijkers, want de thema’s van Mr Wilder en ik liggen me nauw aan het hart. Wilder was een van de meest literaire regisseurs uit de filmgeschiedenis, voor wie plot en ingenieuze dialogen voorgingen op visuele gimmicks. Ik zag voor het eerst een van zijn films in de jaren zeventig, op tv, en ik was er meteen weg van. Ik was toen helemaal geen filmfan. De namen van de grote regisseurs kende ik niet. Film was niet meer dan een interessant tijdverdrijf. Tot ik Wilders The Private Life of Sherlock Holmes zag, een van zijn latere films en volgens zowat iedereen een mislukking. Maar nog steeds een van mijn favorieten. Ik voelde meteen een grote affiniteit, en toen ik nadien andere films van hem zag, bleef dat gevoel overeind. Ik vond het fantastisch hoe hij ernst en humor kon combineren. Ik hield van de ironie in de dialogen. Fedora was de eerste film van Wilder die ik in de bioscoop zag. Ik hoorde dat er een nieuw film was en die wou ik meteen zien. Dus belde ik naar de cinema om een plekje te reserveren. Het bleef een tijdje stil aan de andere kant van de lijn, waarna de dame zei dat reserveren niet nodig was en dat ik gewoon langs kon komen. En inderdaad, we zaten met vier in de zaal.”

C2W

En daar schrijf u dan een roman over?

“Ja, omdat schrijven over mislukking interessanter is dan schrijven over succes. Toen ik voor het eerst iets las over deze periode in het leven van Wilder vond ik het ongelooflijk wat hem overkomen was. Dé succesregisseur, de eerste ooit die drie Oscars kreeg voor eenzelfde film, die door de ene na de andere producer wandelen werd gestuurd. Dat moet enorm pijnlijk geweest zijn voor hem. Een nieuwe generatie had de macht overgenomen en het mooie is dat Wilder daar niet eens wrokkig door werd. Hij had niets dan lof voor Spielberg, Coppola en Scorsese.”

Staat u ook zo tegenover het jonge grut dat u in uw nek voelt ademen?

“Natuurlijk, al voel ik me ook wel wat bekocht. Toen ik dertig was, moest je minstens zestig zijn om op shortlist van de Booker terecht te komen, en nu ik eindelijk bijna zestig ben, moet je blijkbaar dertig zijn. Zo zat ik twee keer in de foute leeftijdscategorie. (lacht) Maar nu ernstig. Op korte tijd is de Britse literatuur een stuk diverser geworden, waardoor ze beter aansluit bij de Britse samenleving. Dat is een goede gang van zaken, ook al ben ik er misschien een beetje de dupe van aangezien ik tot de vorige generatie behoor. Bovendien valt het in de boekenwereld nog wel mee. Die is niet gefixeerd op jeugd en vernieuwing, zoals de filmwereld dat bijvoorbeeld wel is. Er zal altijd plek zijn voor oudere schrijvers. Misschien zullen zij niet meer zo prominent in de krant staan, maar zij zullen hun boeken kunnen blijven schrijven en er zullen altijd lezers zijn die er naar uit zullen kijken.”

U sluit zich dus aan bij wat Matthew, het liefje van Calista in Meneer Wilder en ik zegt, dat kunst een spiegel moet zijn voor de wereld?

“Matthew zegt wat ik als twintiger zei, wat overigens de reden is waarom ik de passages waarin hij aan het woord komt zo leuk vond om te schrijven. Het is de leeftijd waarop je nog strikte ideeën hebt over wat kunstenaars wel of niet moeten doen. Nu ik ouder ben denk ik toch vooral dat het de taak is van de schrijver om zijn lezers op een eerlijke en spitsvondige manier te vermaken. Natuurlijk geef je daarbij altijd een beeld van de wereld waarin je leeft, maar er zijn veel mogelijke beelden. Een jaar of vijftien geleden schreef ik Like a Fiery Elephant, de biografie van de modernistische auteur B.S. Johnson. Die man zat vol dergelijke theorieën over wat schrijvers moesten doen of laten. Uiteindelijk zette het een domper op zijn creativiteit omdat hij met al zijn regels een gevangenis voor zichzelf had gebouwd. Eens ik dat doorhad heb ik het idee van regels in de literatuur overboord gezet, want regels zijn dodelijk voor de kunst.”

U lijkt me nochtans de geschikte persoon om onze wereld in een roman een corona-spiegel voor te houden.

“Op Twitter volgde ik onlangs een interessante discussie daarover. Iemand tweette dat hij nooit een roman zou willen lezen over Covid-19. Eens voorbij wilde hij de pandemie gewoonweg vergeten. Die tweet had meer dan 300.000 likes en alle reacties gingen dezelfde richting uit. Iedereen gaf de man gelijk. Persoonlijk vond ik dat alarmerend, al was het maar omdat ik momenteel aan een boek bezig ben dat een beeld wil geven van de Britse maatschappij anno 2020 en daar speelt Covid natuurlijk een grote rol in. De manier waarop de lockdown ons gedrag en ons leven beïnvloed heeft, biedt heel wat mogelijkheden voor een roman, denk ik. Opeens bevinden we ons in een heel andere wereld waarin we nieuwe manieren van overleven moeten zien te ontwikkelen. Ik zou het gewoon vreemd vinden om dat als schrijver niet interessant te vinden. Nee, volgens mij kun je als hedendaags schrijver de pandemie gewoon niet negeren. Dat zou gewoon wereldvreemd zijn. Ik ben benieuwd hoe verschillende schrijvers uit verschillende culturen en met een verschillende achtergrond de pandemie een plaats zullen geven in hun boeken. De komende jaren worden interessant op literair vlak.”

Maar die twitteraar met zijn 300.000 likes zal u er alvast niet mee aan het lezen zetten.

“Wie weet, ik denk dat die man niet zozeer een degout heeft van de pandemie als wel van de wijze waarop kunstenaars vanouds met zoiets omgingen, als een autoriteit die het je allemaal eens zal uitleggen. De conservatieve politicus Michael Gove zei een paar jaar geleden dat iedereen zo stilaan wel genoeg heeft van experten. Wat hij daar volgens mij mee bedoelde is dat we genoeg hebben van elitaire mensen die ons met het nodige dedain zullen uitleggen hoe de wereld in elkaar zit. Veel schrijvers en kunstenaars zijn in datzelfde bedje ziek. De autoriteit die kunstenaars zichzelf de voorbije eeuwen hebben toegekend is wellicht onterecht. Mensen staan daar vandaag veel sceptischer tegenover. Zij vertrouwen niet langer elites, en dus ook geen artistieke elites.”

En uiteindelijk wil je als schrijver natuurlijk ook niet iedereen behagen?

“Precies, na het verschijnen van Middle England zag ik hetzelfde. De ene helft van de mensen zei dat de brexit wel het laatste onderwerp was waar hij een roman over wilde lezen, terwijl de andere helft er blij mee was omdat hij er hulp in had gevonden om met die brexit om te gaan. Ik vrees dat je als schrijver geen brug kunt slaan tussen deze twee verschillende types van lezers. Via sociale media zag ik dat nogal wat mensen Meneer Wilder en ik zo goed vonden omdat het boek escapistisch zou zijn. Je kan erin onderduiken en de wereld buiten de deur vergeten, zeiden ze, omdat het in 1977 speelt, op Korfoe en in Parijs en München. Natuurlijk denkt ieder wat hij wil van mijn boeken, maar ik heb Meneer Wilder en ik nooit escapistisch gevonden. Ik was bijvoorbeeld enorm verrast door wat Wilder schreef over zijn terugkeer naar Duitsland in 1945. Hoe hij ook zocht, hij vond niemand die bekende de nazi’s te hebben gesteund. Ook dat heb ik in het boek gestoken, omdat het ons kan waarschuwen voor hetgeen er vandaag gaande is in heel wat landen. Populistisch rechts heeft de wind weer flink in de zeilen. Dat gebeurt niet zomaar. Dergelijke politieke ideeën worden populair omdat ze iets losmaken bij mensen. We moeten dat in het oog houden en proberen vermijden dat de geschiedenis zich herhaalt.”

Bij monde van Matthew stelt u ook op cultureel vlak een relevante vraag: waarom een boek schrijven voor een paar honderd lezers, terwijl je net zo goed een film zou kunnen maken voor een paar miljoen kijkers?

“Dat is inderdaad een relevante vraag en ik kan daar alleen een persoonlijk antwoord op geven. Er zijn maar weinig filmmakers die erin geslaagd zijn hun eigen kijk op de wereld compromisloos weer te geven en die ook een groot publiek wisten te bereiken. In een roman kun je je zin doen. Er zijn minder mensen bij betrokken en er is minder geld mee gemoeid. Het is waar dat je misschien maar een paar duizend mensen bereikt, maar je kan ze wel precies zeggen wat je ze wil zeggen. Dat dit in de filmwereld ondenkbaar is, zien we aan de productiegeschiedenis van Wilders The Private Life of Sherlock Holmes. Dat zou zijn meest persoonlijke film worden, waarin hij zichzelf ten volle zou uiten als mens en kunstenaar. Uiteindelijk werd het zijn door de filmmaatschappij het meest gekortwiekte en verknoeide film. Er werd een derde uitgeknipt. Die ervaring maakte van hem een gebroken man. Zelf ben ik ook al gevraagd om filmscenario’s te schrijven. Ik heb aan tafel gezeten met producers die mijn ideeën afwezen en ik heb scripts geschreven waarvan ze zieden: ‘Fantastisch, maar kun je het helemaal herwerken?’ Daar heb ik echt geen zin in.”

Geen Netflix-reeks voor u dus?

“Tijdens de lockdown heb ik een paar Netflix-series gekeken. Het is een fantastische manier om een verhaal te vertellen. Ik heb knappe scripts gezien en nog knappere acteerprestaties, maar zelfs in de beste voel je de artistieke compromissen die gemaakt zijn om in de vooraf uitgetekende formats te passen en ruimte te laten voor een sequel als daar interesse in zou bestaan. De compromissen druipen ervan af. Vind ik het verontrustend dat mijn dochters nog geen tiende lezen van wat ik op hun leeftijd las? Natuurlijk. Ik zie de markt voor wat ik doe voor mijn ogen vervluchtigen, maar het is een onvermijdelijk historisch proces. Hoe meer media er bijkomen, en hoe verleidelijker en toegankelijker die zijn, hoe minder interesse er zal zijn voor literatuur. Dat hou je niet tegen.”

Een regisseur is nooit tevreden over zijn film, zegt Billy op een gegeven moment. Is een schrijver dat wel over zijn boeken?

“Ik herlees mijn boeken wel eens, omdat het moet. De roman dat ik nu aan het schrijven ben houdt bijvoorbeeld verband met mijn oudere romans. Dus moet ik ze herlezen om geen fouten te maken en precies te weten wat erin gebeurde. Ik herlees ze dus voor het werk, want voor het plezier zou ik het niet doen. Je ziet alleen de fouten. Je eigen werk herlezen getuigt van een morbide fascinatie. Wilder herbekeek nooit een van zijn films. Die behoorden tot het verleden. En daarom ook wou hij nieuwe films blijven maken, om niet samen met die oude tot het verleden te gaan behoren. Woody Allen zei onlangs iets gelijkaardigs. De man maakt nog ieder jaar een film, ook al komt er intussen bijna niemand meer kijken. Zelfs ik, ooit een trouwe fan, zou je de titel van de laatste Woody Allen-film die ik zag niet kunnen geven. Maar hij moet, zei hij in het interview, want waarom zou hij anders nog blijven leven?”

Dat bijna manisch films moeten blijven maken, ook al ben je niet meer mee met je tijd en is er geen kat meer in geïnteresseerd, heeft iets bijzonder tragisch. Hoe hield Wilder dat vol?

“Door af en toe eens heel hard te lachen. Wilder probeerde altijd een evenwicht te vinden tussen humor en ernst. Als je de films vergelijkt die hij net voor zijn terugkeer naar Europa in 1945 maakte met die van de periode erna, waarin hij gezien had wat er met zijn land en familie was gebeurd, merk je een groot verschil. In Amerika maakte hij zijn ernstigste films, zoals Double Indemnity en The Lost Weekend. Na de oorlog heeft hij nog maar een ernstige film gemaakt, Sunset Boulevard, in 1950. Het waren voor de rest allemaal komedies, zoals The Seven Year Itch en Some Like it Hot. Volgens mij zijn die films een reactie op wat hij in Europa had gezien. De eerste film die hij eens terug in Amerika maakte was The Emperor Waltz, een musical met Bing Crosby in de hoofdrol, over de liefdesrelatie tussen twee honden in het Wenen van begin 20e eeuw. Het is een zeemzoet en misselijk makend Hollywoodprul. Hij wou geen film maken over de verschrikkingen die hij in Duitsland had gezien, maar wel een waarin hij daaraan kon ontsnappen. Ik begrijp dat.”

En probeert u iets gelijkaardigs te doen in uw boeken?

“Ja, Wilder is altijd mijn grote voorbeeld geweest, net als de Joseph Heller van Catch-22. Het draait allemaal om evenwichten, heb ik van hen geleerd. Een van de grote mankementen aan Fedora is dat Wilder in die film het evenwicht uit het oog verloor, waardoor hij niet grappig genoeg is. Hij wou breken met zijn reputatie als die kerel die humoristische films draaide. Hij wou een ernstig statement maken. Diezelfde fout heb ik ook gemaakt, in The Rain Before it Falls, mijn enige roman zonder humor, en mijn minst geslaagde.”

Jonathan Coe (Bromsgrove, 1961)

Schreef drie onopgemerkt gebleven satirische romans voor hij in 1994 zijn eerste grote succes boekte met What a Carve Up!, in het Nederlands Het moordend testament, waarin hij de conservatieve politiek van Margaret Thatcher hekelde.

Naast zijn fascinatie voor politiek blijkt uit zijn boeken ook een grote kennis van de populaire cultuur, zoals in De Rotters Club en De gesloten cirkel bijvoorbeeld, waarin de progressieve rock van de late jaren zestig veelvuldig aan bod kwam.

Naast fictie schrijft hij ook non-fictie, zoals biografieën van de modernistische schrijver B.S. Johnson en de acteurs Humphrey Bogart en James Stewart.

Eerder verschenen in De Morgen