Zondag, 18 april, 2021

Geschreven door: Benjamin, Walter
Recensie door: Rijntjes, Maaike

Kritische portretten

Twaalf essays over literatuur

[Recensie] De afgelopen Boekenweek deed Özcan Akyol nogal wat stof opwaaien met zijn Boekenweekessay. Hij betichtte de huidige generatie auteurs ervan elitaire boeken te schrijven die slechts door insiders van het Nederlandse literaire wereldje worden gelezen. Die schrijvers zouden ondertussen ook alle recensenten en literatuurcritici kennen, zodat ze elkaar kunnen helpen aan publicaties, prijzen of besprekingen. Akyol vindt literatuurkritiek en literatuurwetenschap strontvervelende muggenzifterij: het analyseren van boeken verpest alleen puur leesplezier. Gevolg van al deze kwalijke zaken is de toenemende ontlezing in ons land. Recensenten buitelden over elkaar heen om het essay af te kraken. Maar de vraag waar ontlezing door komt en de rol die literatuurcritici daarin hebben, is niet direct een slechte. Hoe moet goede literatuurkritiek eruitzien? En hoe zorg je ervoor dat je met het bespreken van een boek een lezer ook aan het lezen krijgt? Een antwoord op deze vragen kan worden gevonden in Kritische portretten. Twaalf essays over literatuur van Walter Benjamin.

Kritiek

In het voorwoord van Kritische portretten. Twaalf essays over literatuur gaat Thijs Lijster dieper in op de achtergrond waartegen Walter Benjamin (1892-1940) zijn kritische portretten en (literatuur)kritiek schreef.

Hij legt uit dat Benjamin vond dat de kringen van (literatuur)critici in zijn tijd te veel naar elkaar gekeerd waren, waardoor er geen ruimte was voor polemiek. Bovendien vereerden deze critici het werk (kunstwerk, boek, verhaal) te veel als Kunst met een hoofdletter: ze benaderden het kunstwerk als een onveranderlijk, bijna heilig iets dat volledig op zichzelf staat. Maar hierdoor werden ze blind voor de omgeving van het werk. Met omgeving bedoelt Benjamin de omstandigheden waarin het werk is gemaakt (waar, wanneer, wie de kunstenaar was), en ook de ontvangst van het kunstwerk. Hoe een werk benaderd wordt door kijkers, lezers of luisteraars heeft invloed op het werk zelf. Met het schrijven van kunstkritiek wordt daarmee iets toegevoegd aan het leven van het kunstwerk.

C2W

Een goede criticus neemt volgens Benjamin wel altijd dat kunstwerk zelf als uitgangspunt, maar toont dit werk vervolgens als iets dat als het ware zijn omgeving weerspiegelt. In deze weerspiegeling wordt de tijd waarin het is ontstaan zichtbaar, als ook de ideeën van degenen die het kunstwerk bekijken. Dit betekent ook dat voor Benjamin de mening en het oordeel van de criticus uiteindelijk niet het belangrijkste zijn: het gaat erom dat in de kritiek zichtbaar wordt wat het kunstwerk toont en hoe het zijn omgeving weerspiegelt.

Door in literatuurkritiek van het boek uit te gaan zonder de omstandigheden uit het oog te verliezen, kan een goede criticus het boek voor de lezer openen. Lijster citeert Benjamin hierover: goede kritiek moet ‘het boek op zo’n manier openslaan dat het lonkt als een gedekte tafel’. Goede kritiek maakt een lezer hongerig en nodigt de lezer uit over het boek mee te praten.

Portretten

De gebundelde essays over literatuur in dit boek zijn echter niet alleen ‘kritieken’, het zijn ook portretten. Benjamin duidt het oeuvre van een schrijver aan de hand van diens persoonlijkheid, de omstandigheden waarin hij schreef en ook hoe zijn werk wordt gelezen. Daar heeft hij soms niet meer dan een paar pagina’s voor nodig. Neem bijvoorbeeld een van de kortste essays in de bundel, over Robert Walser, dat slechts vier pagina’s heeft. Benjamin gaat onder andere in op de uitspraak van de auteur dat hij nooit iets heeft ‘herschreven’. Volgens Benjamin doen we er goed aan om dat voor waar aan te nemen, omdat het werk van de schrijver gekleurd lijkt door schaamte en ‘elke zin enkel tot taak heeft de vorige te doen vergeten’.

Benjamin schetst de auteur daarbij op zo’n manier dat de observaties in het essay je wel bijblijven. Later in het essay wordt Walser een nar die zich ‘tooit met taalguirlandes waar hij zelf over struikelt’. Zulke beelden neem je mee bij het (her)lezen van een boek.

Het essay over Walser gaat vooral over de relatie tussen de stijl en de inhoud van het werk. In de langere portretten komen meer onderwerpen aan bod.

In het essay over Proust bijvoorbeeld, gaat Benjamin diep in op de vraag hoe een autobiografisch werk wordt vormgegeven en welke rol herinnering hierin heeft. ‘Proust heeft in zijn werk niet een leven beschreven zoals het is geweest, maar een leven zoals degene die het beleefd heeft, zich dat leven herinnert’, schrijft hij. En: ‘Voor de zich herinnerende auteur speelt niet datgene wat hij heeft beleefd de hoofdrol, maar het weven van zijn herinnering…’ Dit betekent dat het geen zin heeft Proust te lezen op zoek naar waarheidsgetrouwe informatie of nieuwtjes over zijn leven: zijn autobiografisch schrijven laat ons vooral zien hoe de auteur zich een beleefd leven wíl herinneren. Het is niet vergezocht om je als lezer af te vragen of dit niet een goede observatie is over het schrijven van autobiografieën in het algemeen.

Ook gaat Benjamin in op Prousts maatschappijkritiek en de positie van waaruit hij deze schreef, waarbij Benjamins marxistische achtergrond duidelijk wordt. Hij schetst Proust als iemand die ervan genoot de ‘geheimtaal’ te leren van de salons waar de bourgeoisie – de economische klasse die volgens het marxisme productiemiddelen in handen heeft – zich ophield. Vervolgens maakte Proust de mensen die zich daar bevonden belachelijk, iets wat hem zelf verdriet deed: ‘Hij tilt de wereld niet in gelach op, maar slaat haar in gelach neer, op het gevaar af dat ze in scherven valt, waarvan hij zelf in tranen uitbarst (…) de pretenties van de bourgeoisie worden door het gelach vergruizeld.’

Schilderijen

Dat deze essays in eerste instantie literatuurkritiek zijn, betekent niet dat Benjamins (kunst)filosofie hierin ontbreekt. Het bekendste onderdeel van zijn kunstfilosofie is waarschijnlijk zijn idee van de reproduceerbaarheid van het kunstwerk. Op het moment dat kunst reproduceerbaar wordt door bijvoorbeeld fotografie, kunnen we het werk op veel momenten terugzien en verliest het daarmee iets van de magie (wat Benjamin ‘aura’ noemt) die het zou hebben als je het maar een keer kan ervaren.

Een belangrijke kanttekening is wel dat Benjamin dit niet alleen als iets negatiefs zag. Ja, misschien verliest een uniek kunstwerk zijn aura, maar reproductie betekent ook dat kunst beschikbaar kan worden voor veel meer mensen dan alleen de enkeling die naar het museum gaat.

In het essay over Baudelaire stipt Benjamin hiervan een voorbeeld aan wanneer hij citeert dat Baudelaire in foto’s de magie van landschapsschilderijen mist, schilderijen waarin een schilder veel details ‘de verte’ uitwerkt, schilderijen waarin geprobeerd wordt om de schoonheid van ‘die verte’ te vangen. We willen lang naar zo’n schilderij kijken omdat we het waarschijnlijk maar eenmaal kunnen zien.

Foto’s bekijken we echter veel vluchtiger, daar staan we minder lang bij stil. In de poëzie van Baudelaire vindt Benjamin terug hoe deze vluchtige manier van de wereld ervaren ook ontstaat in de het drukke leven van de stad: ‘De massa was een roerige sluier; door haar heen zag Baudelaire Parijs.’ De massa is een stroom van mensen, de menigte, waarin je in de stad kan verdwijnen. Eenmaal onderdeel van de menigte doe je in de stad constant nieuwe indrukken en beelden op, stuk voor stuk kortstondig, waardoor je aandachtspanne af begint te nemen.

Zo geeft Benjamin een handvat om Baudelaire (op een nieuwe manier) te lezen – als iemand die poëzie schrijft, beïnvloed door de verstedelijking om hem heen. Maar hij laat tegelijk ook zien hoe we door zijn poëzie de wereld kunnen zien – hoe die ons kan helpen op een andere manier naar de wereld te kijken.

En verhalen

Die vluchtige manier waarop we de wereld ervaren, hangt nog met iets anders samen. In het essay over Leskov, gaat Benjamin kort in op de opkomst van ‘informatie’, of nieuws. Informatie is iets dat toetsbaar en plausibel moet zijn, het moet opmerkelijke gebeurtenissen altijd kunnen verklaren – het heeft daarom belang bij een kortere aandachtspanne, omdat het ‘er alleen toe doet op het moment dat ze nieuw is’.

Dit nieuws is niet neutraal of objectief volgens Benjamin. Zijn marxistische achtergrond schemert door de beschrijvingen die hij geeft van kranten als politieke en kapitalistische middelen: in het essay over Kraus legt hij uit hoe Kraus zich in zijn journalistiek en satire hiertegen verzet. Het is opvallend hoe actueel deze beschrijvingen nog altijd zijn, nu we allang niet meer enkel elke ochtend via de krant het nieuws tot ons nemen, maar de hele dag door pushberichten met nieuws kunnen krijgen op onze mobiele telefoons.

Verhalen verklaren of interpreteren (opmerkelijke) gebeurtenissen niet zoals nieuwsberichten dat doen, een verhaal ‘verbruikt zichzelf niet. Ze behoudt op geconcentreerde wijze haar kracht, die ze ook na lange tijd ontvouwen kan.’ Weinig mensen zullen over twintig jaar een krantenbericht van gisteren navertellen, maar we lezen nog steeds sprookjes voor. Echter bestaan verhalen volgens Benjamin alleen bij de gratie van de luisteraar en om goed te luisteren, hebben we juist aandacht nodig, of zelfs verveling, zoals we tijd en aandacht nodig hebben om de details van een landschapsschilderij te bestuderen.

Misschien dat de ontlezing in Nederland niet enkel te maken heeft met de grootte van de literaire wereld, of wat schrijvers precies schrijven. Een boek lezen kost meer tijd en aandacht dan het checken van nu.nl, en in ‘het druk hebben’ is weinig ruimte voor verveling.

Een goed gedekte tafel

Toegegeven, Benjamins essays lezen niet altijd gemakkelijk weg. Maar Benjamin laat wel zien dat literatuurkritiek niet alleen gaat om het vinden en duiden van symbolen, dat het analyseren van een boek niet strontvervelend en muggenzifterig hoeft te zijn. Een goede criticus maakt namelijk zichtbaar op welke manieren een boek iets reflecteert van de wereld waarin het is geschreven én de wereld waarin het wordt gelezen.

Deze essays zijn dan ook een aanrader voor iedereen die graag (literaire) fictie leest, omdat ze inzichten en beelden bieden die helpen om de boeken in de context te plaatsen, waardoor je niet alleen het boek op een nieuwe manier kan lezen, maar ook om te zien hoe de boeken je kunnen helpen naar de wereld te kijken.

Misschien is dit boek nog meer een aanrader voor iedereen die graag over (literaire) fictie schrijft. Benjamin ventileert niet enkel zijn meningen over een boek: na het lezen van een portret weet je niet alleen wat hijzelf vindt. Hij schopt niet simpelweg heilige huisjes omver, zoals Akyol doet in zijn essay. Hij bouwt iets op. Hij dekt een tafel, wijst de lezer een stoel en nodigt haar uit tegenover hem plaats te nemen.

De thee staat klaar, het boek ligt open om er samen over te spreken.

Eerder verschenen op ifilosofie