Woensdag, 1 januari, 2020

Geschreven door: Boose, Johan de
Artikel door: Heumakers, Arnold

Jevgeni Heum

De Boose stort zich in de nachtmerrie van de geschiedenis

[Recensie] “De geschiedenis is een nachtmerrie waaruit ik probeer te ontwaken,” zegt Stephen Dedalus in Joyce’s Ulysses. De Vlaamse schrijver Johan de Boose stort zich er juist in. In zijn trilogie Het vloekhout, waarvan zojuist het tweede deel Jevgeni is verschenen, zelfs met onmiskenbare wellust. Sperma, bloed en andere lichaamssappen spatten in het rond. Ejaculatie, sodomie, marteling en executie, ziedaar een paar trefwoorden. Er wordt heel wat af gestorven, zonder dat het ook maar een moment de smeuïge, jofele toon beïnvloedt waarop een en ander wordt verteld.

In zijn reusachtige historische roman over de twintigste eeuw, met de veelzeggende titel Bloedgetuigen, bleef de verbale jool beperkt tot de “essays” waarin de eeuw zelf het woord nam, de “slettenbak” die de lezer toesprak alsof deze haar psychiater (“zielenknijpertje”) was. Met een cynische knipoog werd zo de hele historie van de eeuw doorgenomen – een contrast met de veel realistischer verteltrant in de drie individuele geschiedenissen (spelend in België̈, Rusland en Midden-Europa) waaruit de rest van het boek bestond.

In Jevgeni en Gaius (het vorige jaar verschenen eerste deel van de trilogie) is dit contrast verdwenen. De Boose heeft nu overal de remmen losgegooid. In Gaius vertelt hij het verhaal van een theatertechnicus, een deus ex machina-specialist, die door keizer Nero naar Rome wordt geroepen. In Jevgeni draait het om twee Russische priesters die voor de moordende en plunderende Tataren hun vaderland zijn ontvlucht. In het jaar 1390 arriveren ze in wat nu België̈ heet, de lijvige zanger Jevgeni, bijgenaamd Goedgeborene, en de magere iconenschilder Bogomil, bijgenaamd Godsboterhammetje. Na een raadselachtig avontuur in Ganda (Gent) belanden ze in het dorp Ehinham (Ename) in Oost-Vlaanderen.

Ook de theaterman uit Gaius kwam daar terecht, in de villa van een even decadente als doortrapte vriend. Vele eeuwen later blijkt er een benedictijnenklooster te staan, waar de beide Russen een tijdlang gastvrijheid genieten. De plek is kennelijk een van de constanten in de trilogie, net als het geloof in de naderende ondergang van de wereld en de aanwezigheid van een stuk van het kruis van Christus, het `vloekhout’ uit de titel van het geheel. Vlaanderen, Apocalyps en Christendom – het blijft een wonderlijke mix en je vraagt je af wat De Boose ermee wil zeggen behalve dan dat de geschiedenis ook bij hem een nachtmerrie blijkt te zijn, zo niet een compleet gekkenhuis.

Trouw

Het is beslist een raar klooster waarin Jevgeni en Bogomil terechtkomen. Nu eens lijkt het weggelopen uit Umberto Eco’s In de naam van de roos dan weer uit een achttiende-eeuwse libertijnse roman, zoals de markies de Sade ze wel schreef. Er loopt zelfs een kloosterhoer rond, die zuster Assumpta heet en voor de monniken ook de was doet. Geen katholicisme zonder kindermisbruik, en jawel, vader abt beschikt over twee Florentijnse schandknapen die hij desgewenst ook aan anderen uitleent, onder meer aan iemand die “de Hogerhand” wordt genoemd. Als zelfs God zijn handen niet kan thuishouden, hoeft bisschop Gijsen zich vast geen zorgen te maken.

Tegen de tijd dat de abt samen met zijn schandknapen en een inquisiteur een bezoekje brengt aan deze Hogerhand, die samen met diens broer (naar gesuggereerd wordt: de duivel) schaak speelt met op alle borden schaakmat als resultaat, is de roman al tamelijk onnavolgbaar geworden. Hield De Boose in Gaius de zaak nog enigszins in de hand, nu buitelen de zotte gebeurtenissen over elkaar heen, zonder dat er veel lijn in te ontdekken valt. Die monniken toch. Lachen mogen ze alleen in een duiventil, ze gaan op zoek naar de “goddelijke vezel” (de middeleeuwse variant van het elementaire deeltje), werken aan een ‘Boek van Schuld en Schaamte’, geven zich in de kelder van het klooster over aan quasi- religieuze orgieën en hebben verder veel last van stank en regenval.

Wat lezen we eigenlijk? De Dikke en de Dunne in de middeleeuwen? Becketts Vladimir en Estragon (Wachten op Godot) in de wereld van Jeroen Bosch? En wat te denken van de vele opzichtige anachronismen? Er zijn verwijzingen naar Auschwitz en naar de oerknal, maar ook komt Reve voorbij als een “onbekende kerkvader” en wordt Poetin (`Poepin’) getypeerd als “een harteloze vandaal met heimwee naar de tijd van Nero en Caligula.”

Heel curieus is het bezoek aan Amsterdam (“Aemstelledam”), waarover Jevgeni en Bogomil aan de abt vertellen. “De hele stad ademde melancholie en vergankelijkheid,” schrijft De Boose, die zijn twee helden er hun dubbelgangers laat tegenkomen in de gedaante van twee wandelende skeletten. Een aankondiging van de dood, kan gebeuren als het Einde der Tijden nadert. Maar hoewel het hele klooster tenslotte bezwijkt aan de builenpest, blijkt de Apocalyps toch meer te hebben van een kleine ijstijd. En de twee Russen? Die ontspringen als enigen de dans, ondanks aanvaringen met de Inquisitie en, weer terug in Moskovië met de Tataren. Waarna hun zwerftocht door Europa opnieuw kan beginnen.

Eeuwige vluchtelingen, overal vreemdelingen en, als ze niet oppassen, ook nog zondebokken – dat blijkt hun lot te zijn. Misschien wil De Boose alleen maar zeggen dat er in de geschiedenis wel van alles gebeurt, maar dat er in wezen nooit iets verandert. In deze roman wordt dat inzicht benut als een vrijbrief om er wild op los te fabuleren: niet zelden vermakelijk, minstens even vaak flauw, fundamenteel absurd en bijna steeds verbaal virtuoos. Het valt ook niet mee om van Tarkovsky’s bloedserieuze meesterwerk Andrei Rublev een postmoderne slapstick-versie te maken.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad