Donderdag, 4 februari, 2021

Geschreven door: Stenvert, Ronald
Tussenbroek, Gabri van
Artikel door: Veen, Evert van der

Inleiding in de bouwhistorie

Oog voor geschiedenis in hout en steen

[Recensie] Wie op vakantie gaat en oog heeft voor kunst en cultuur, zal tijdens bezoeken kijken naar gebouwen. Oude binnensteden, kerken en kastelen staan in reisgidsen als bezienswaardig vermeld en menig toerist volgt graag het must-see lijstje. Verreweg de bezoekers komen niet verder dan de buitenkant: een tamelijk vluchtige blik, geïmponeerd door de schoonheid en in sommige situaties ook geraakt door de verstilling. De eerste indruk is voor de meesten tevens ook de laatste, vaak niet zonder dat er enkele foto’s zijn gemaakt. Dat was het dan, op naar de volgende bezienswaardigheid…

Toch valt er bij veel oude(re) gebouwen méér te ontdekken omdat ze een geschiedenis hebben doorgemaakt die met goed observeren vanuit enige voorkennis is te zien. Kastelen en kerken hebben vaak een langdurige geschiedenis die vele eeuwen omspant en met name aan de muren valt die ontwikkeling goed af te lezen.

Dit boek Inleiding in de bouwhistorie opent de welwillende lezer daarvoor de ogen en leert ook om dit methodisch in kaart te brengen zoals de ondertitel Opmeten en onderzoeken van oude gebouwen aangeeft. De huidige uitgave is de 4e herziene druk sinds 2007 en dat laat zien dat dit boek in een behoefte voorziet. Bouwkundigen, architecten, interieurarchitecten en in feite iedereen met interesse voor oude gebouwen, kan aan dit boek veel plezier beleven vanuit deze gedachte: “Het gebouw zelf is voor de bouwhistoricus de primaire bron; het is zijn archief in weer en wind en daarmee zijn uitgangspunt,” (p. 45).

De basis voor deze specialisatie binnen bouwkunde werd in 1849 gelegd in de verschijning van Kort overzigt van den bouwtrant der middeleeuwsche kerken in Nederland. De huidige zorg voor monumenten dateert ook van die tijd.

Bazarow

Inleiding in de bouwhistorie is een goede inleiding en vertelt over het bouwproces van vroeger, bouwtypen, dateringstechnieken, fotografie en vormen van onderzoek. Een leuke term is het ‘kijkgaatje’: een kleine opening om ergens onder of onder te kijken. De bouwhistoricus is terughoudend in het verwijderen van lagen om zo weinig mogelijk beschadigingen aan te brengen.

Alle aspecten van een gebouw komen in dit aantrekkelijk geĂŻllustreerde boek aan de orde zoals voegwerk, steenovens, terracotta, soorten dakpannen om maar iets te noemen.

Voor een breder publiek zijn de hoofdstukken over Materialen en Constructies en construeren wellicht het meest interessant. Het gaat over draagconstructies en funderingen. Tot 1940 werden er vrijwel uitsluitend houten heipalen gebruikt en met name in Noord- en Zuid-Holland is de heitechniek ontwikkeld omdat hier het meest werd en word geheid. Ook leert de lezer over steenverbanden en de spouwmuur die van de 19e eeuw dateert. Interessant zijn ook de soorten houtverbindingen en vensters en deuren om nog maar iets te noemen.

Het boek heeft een cultuurhistorische dimensie en vertelt over hout dat lange tijd het belangrijkste bouwmateriaal was; eikenhout werd vanaf de 14e eeuw uit Duitsland geĂŻmporteerd. Vanaf de 17e eeuw werd hout van vruchtbomen en tropisch hout toegepast. Behang werd in 1568 in Delft ontwikkeld.

Alles komt in kort bestek ter sprake, wie ergens meer over wil lezen, vindt onderaan de bladzijden literatuurverwijzingen over het desbetreffende onderwerp.

De auteurs zijn goed ingevoerd in hun vak. Ronald Stenvert is bouw- en architectuurhistoricus en was hoofdredacteur van de serie Monumenten in Nederland die van 1995 – 2006 verscheen. Gabri van Tussenbroek is bouwhistoricus bij de afdeling Monumenten en Archeologie van Amsterdam en hoogleraar Stedelijke identiteit en monumenten aan de Universiteit van Amsterdam.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles