Vrijdag, 13 november, 2020

Geschreven door: Heytze, Ingmar
Recensie door: Brouwers, Nathalie

Ik wilde je iets moois vertellen

Weemoedigheid en vergankelijkheid in taal omgezet

[Recensie] Ingmar Heytze, Utrechts stadsdichter van 2009 tot en met 2011, kwam dit najaar [2018/red.] met een nieuwe dichtbundel. Net als in zijn ander werk, ook als columnist voor enkele bladen, zitten er in deze bundel ook naast ritme, knappe beeldspraak en mooie heldere regels, enkele kwinkslagen verstopt. Herkenbaarheid en toegankelijkheid zijn een meerwaarde van zijn bundel. Zijn opmerkingsgave blijkt eveneens van een hogere orde te zijn.

Automatisering blijkt een rode draad te zijn in zijn gedichten;  auto’s, typemachines en robots bevolken onder andere zijn versregels. Het paradijs is een ‘riante, geluidloos rijdende auto die over Gods vele wegen suist’.  Als Eva op een verboden knop drukt, komt het ingebouwde navigatiescherm tot leven, en is het te laat. Het paradijs is niet meer:

“Adam vraagt: ‘Zijn we dáárnaar op weg?’
Eva vraagt: ‘En duurt dat nog zó lang?’
Adam zegt: ‘Zijn we werkelijk alleen maar dáárnaar op weg?’
Eva zegt: ‘En daarna dan?’
Adam zegt: ‘Willen we eigenlijk wel weten dat we…’”


Heldere herkenbare taal in de vorm van een dialoogje en een scheutje beeldspraak volstaan om je de scène als lezer zo voor de geest te kunnen halen.

Daarnaast spreekt Heytze ook de nostalgici onder ons aan. In een ander gedicht leest een klein jongetje bijvoorbeeld stiekem, zonder enig licht, zelfs geen zaklamp – weer zo’n moderne uitvinding – bij het schijnsel van de koplampen ‘een paar zinnen, waarna je weer wachtte’. Ook de auto maakt weer zijn opwachting hier zoals op nog meer pagina’s in deze bundel.

De dood blijft niet onbenoemd, de angst leest hij in de ogen van zijn kind. Blijkbaar is de auteur vader geworden sinds zijn vorige bundel. Dat komt ook duidelijk naar voren in sommige gedichten. Als hij naar de zolder klimt bijvoorbeeld, en zijn gitaarrek bekijkt die bijna van een andere periode lijken te zijn.

“Het grijs houdt niemand tegen maar ik heb een zolder vol met levens die ik ook had kunnen leiden voor ik ophield te bestaan.”

C2W


Hij klinkt op het afsluiten van zijn jeugd. Toch klinkt er geen spijt tussen zijn regels door, wel eerder iets van onzekerheid en twijfel:

“Soms kijk ik, over het hoofd van het kind in mijn armen heen, in de spiegel of ik op een vader lijk.”


De auteur staat stil bij de dood, en beseft maar al te goed dat de tijd zo voorbij kan gaan. Hij vindt er de taal voor, en laat er ons even bij stil staan, hoewel we dit beter net niet doen. Onbezorgd dwalen is beter dan naar een bestemming te rijden volgens Heytze. De wereld stopt nooit met draaien; we moeten maar gewoon verder leven, zonder richtingaanwijzer.

Een paukeslag of twee zijn niet in deze bundel inbegrepen, er schemert gebrek aan heftigheid en opwinding tussen zijn regels door. Soms wel weemoedigheid, en af en toe wat ontroering. Heytze heeft je met deze bundel iets moois te vertellen. Maar of dat moois echt zal blijven hangen, is nog de vraag.


Eerder verschenen op Hebban