Woensdag, 1 januari, 2020

Geschreven door: Biesheuvel, J.M.A.
Artikel door: Heumakers, Arnold

Het wonder Heum

Aan wonderen geen gebrek

[Recensie] Aan wonderen is in de wereld van J.M.A. Biesheuvel geen gebrek. Van de brommer op zee in zijn debuut In de bovenkooi tot het titelverhaal van zijn nieuwste bundel Het wonder. Maar waaruit bestaat het wonder precies in dit laatste verhaal? Dat is minder makkelijk te zeggen, want meerdere mogelijkheden dienen zich aan.

Biesheuvel beschrijft een vakantiereisje met zijn vader naar de Vogezen. Een zeer merkwaardig reisje uiteraard, en dat begint al bij het vertrek, als de beide Biesheuvels de meegebrachte radio en pick-up onder de snelbinders van hun fietsen in Rotterdam moeten achterlaten, voorzien van een vriendelijk briefje aan de eventuele vinder. Bij terugkomst blijken zowel de fietsen als de radio en pick-up nog aanwezig te zijn, nu voorzien van een al even vriendelijk briefje van de familie die in de tussentijd van de spullen gebruik heeft gemaakt.

Zoiets is anno 1995 zonder meer een wonder te noemen, maar in het grijze verleden waarin het verhaal speelt iets minder. Wonderlijker is de ontdekking die de vakantiegangers in de Vogezen doen, waar zij bij toeval op de “aardas” stuiten, een gevaarte met een diameter van 2,2 meter dat wordt vastgehouden door Gods hand. Eén maal per etmaal wentelt de aardbol eromheen. De as, die een beetje knarst, heeft duidelijk behoefte aan een smeerbeurt en gelukkig blijken de Biesheuvels een “kannetje met stroperige, amberkleurige olie” bij zich te hebben.

Met het wonder uit de titel lijkt echter nog iets anders te zijn bedoeld. Als vader Biesheuvel zijn hand op het snijvlak van de as legt, dus precies daar waar God de as vasthoudt, blijkt hij niets te voelen. Gods hand ontbreekt en het ware wonder is dat papa desondanks zijn geloof niet verliest, want op weg naar huis spreekt hij duidelijk – nog wel in het Duits – zijn onwankelbare godsvertrouwen uit.

Boekenkrant

Bij de zoon daarentegen lijkt het zaad van de twijfel te zijn gezaaid, al komt dat in dit verhaal niet expliciet naar voren. Maar de rest van Biesheuvels oeuvre getuigt er overvloedig van; het verschaft de wonderen (die in weerwil van Gods afwezigheid niet ophouden) een minder plezierige keerzijde, die vooral bestaat uit angst. Zowel binnen als buiten het eigen hoofd is de wereld een warboel geworden. Niets lijkt meer zeker, en hoe zou je daar niet angstig van worden?

Ben, een personage uit een ander verhaal in Het wonder, is bijvoorbeeld bang “dat de korrels cake daar op het bordje bunkers vol kolen worden, honderd zeeschepen kun je er oceanen mee laten overvaren, als de cake maar genoeg een klein of concies of dicht stukje cake is! Ik ben er, nu en hier, een man die denkt met voorgeschreven buik en hersens, ik ben niet in 1492 een banaan in Costa Rica. Die poef en kussen op mijn bed; angst poes of ventilator? en wat is het verschil tussen dat mooie jongetje met zijn ijsje en een vergeten dranghek in Amsterdam?”

Wie door zulke gedachten wordt gekweld, krijgt het niet gemakkelijk. Allicht zoekt hij graag troost bij soortgenoten, zoals bij de ere-admiraal Wyntham Cremer, van wie Biesheuvel na zeven jaar vruchteloos gepeins eindelijk het idee krijgt “dat hij een beetje was zoals ik ben.” Een wonder zorgt vervolgens voor het bewijs. Na zonder het te beseffen een knop te hebben ingedrukt in het park rond het landhuis van de ere-admiraal, klinkt een zacht zoemen en komt een plag gras schuin omhoog, waarna via een luidspreker in de grond het levensverhaal van de “sombere twijfelaar” Wyntham Cremer wordt verteld.

Dat levensverhaal kan met zijn dwaze ongerijmdheden en aandoenlijke details alleen van Biesheuvel afkomstig zijn. Wie werkelijk aan alles twijfelt, zal ook zijn eigen troost moeten verzinnen. Het wonder en de angst zijn twee zijden van dezelfde medaille. En zo moet waarschijnlijk ook het bijzondere schrijverschap van Biesheuvel worden gezien. In eigen ogen is hij een `romantisch type’, in de ogen van zijn psychiater (getuige het wederom zeer bizarre verhaal over diens `wonderbibliotheek’ in deze bundel) is hij `manisch depressief’. Waarom zouden beiden niet gelijk kunnen hebben?

Als patiĂ«nt is Biesheuvel manisch depressief, als schrijver is hij een romanticus en wel de meest uitzinnige, originele en humoristische die er in de Nederlandse literatuur rondloopt. Dat hij die kwaliteiten na bijna vijf jaar stilzwijgen opnieuw bewijst met een achttal kleine doch innemende verhalen mag wellicht vanwege de manische depressiviteit (die de romanticus kennelijk al die tijd heeft dwarsgezeten) ook een beetje een – verheugend – `wonder’ worden genoemd.

Eerder verschenen in De Volkskrant