Zondag, 18 april, 2021

Geschreven door: Langereis, Sandra
Artikel door: Verplancke, Marnix

Erasmus: dwarsdenker

Tussen hamer en aambeeld

Begin 16e eeuw wou de humanist Erasmus van de kerk een modern en rationeel instituut maken. Dat was echter niet wat de conservatieve katholieken of de fundamentalistische protestanten voor ogen stond.

[Interview] Nadat op 1 juli 1523 op de Brusselse Grote Markt twee Augustijnen die er Lutherse dwaalgedachten op nahielden op de brandstapel waren gestorven, stuurde Erasmus een brief naar de Baselse protestantse leider Ulrich Zwingli. “Ik zou niet willen sterven voor dingen waar ik met mijn verstand niet bij kan,” schreef de humanist en daarmee vatte hij zijn leven en missie in feite mooi samen. Met lede ogen zag hij hoe fanatici gewapend met Luthers epistels in de ene hand en een hamer in de andere het Rooms katholicisme probeerden te vergruizelen en daarbij verdacht graag martelaren van de Inquisitie werden. Had hij daarom zijn Lof der Zotheid geschreven? Of de beste jaren van zijn leven gegeven aan het maken van een nieuwe, wetenschappelijk verantwoorde Latijnse vertaling van de bijbel uitgaande van de oorspronkelijke eerste-eeuwse Griekse oerversie? Was de wereld nu helemaal gek geworden?

Erasmus leefde op een kantelmoment in de geschiedenis, leren we uit Sandra Langereis’ biografie van de humanist, Erasmus: dwarsdenker. Europa kon de weg op gaan van de rationaliteit en het wetenschappelijk onderzoek, of het kon terugkeren naar de middeleeuwen, naar devotie, blinde gehoorzaamheid en stupiditeit. Erasmus koos de eerste weg, terwijl heel veel van zijn tijdgenoten, met de conservatieve katholieken en de protestanten op kop hun heil in het verleden wensten te zoeken. Wat dat betekende wist Erasmus als geen ander. In 1483, toen hij een jonge tiener was, werd zijn moeder het slachtoffer van de pest. Niet veel later stierf ook zijn vader en werd Erasmus toevertrouwd aan een voogd die hem in een Augustijnenklooster wou parkeren. Omdat hij nog te jong was, werd hij eerst nog drie jaar opgevangen in het kosthuis van de Broeders van het Gemene Leven dat aan het klooster verbonden was. Uiteindelijk zou hij acht of negen jaar bij de Augustijnen blijven. Het waren jaren die zijn leven een dwingende richting uit zouden sturen, vertelt Sandra Langereis: “Hij werd onderworpen aan een ascetische geloofsbeleving waar hij zich absoluut niet in kon vinden. Nadenken werd niet geapprecieerd en alles draaide om plicht en devotie. Niets mocht ooit in vraag gesteld worden en de grootste windbuilen gingen met de fraaiste pluimen lopen. Die jaren hebben hem ertoe aangezet nadien  op een rationele manier als gelovige en professioneel bijbelwetenschapper en theoloog aan de slag te gaan.”

Eens de kloosterpoort achter zich dichtgeslagen, kon hij zijn droom waarmaken, theologie studeren in Parijs. Hoe verliep dat?

C2W

Langereis: “Hij kwam er dezelfde mensen tegen, even star in hun denken, en voelde er zich ontzettend ongemakkelijk en gefrustreerd door. Het is pas nadien, toen hij naar Engeland ging, dat hij zich voor het eerst op zijn gemak voelde, ontdekte ik in zijn brieven. Hij maakte er op een nieuwe manier kennis met de theologie. Er kon gediscussieerd worden over geloofszaken, en dat op een speelse en toch integere en wetenschappelijke manier. Er werd geduld opgebracht voor de standpunten van de anderen. Hij genoot daarvan.”

En hij ontmoete er Thomas More, de schrijver van Utopia, een titel die Erasmus hem influisterde.

Langereis: “Tot die conclusie ben ik inderdaad gekomen. Erasmus en Thomas More deelden veel zaken, maar leidden toch verschillende levens omdat ze verschillende keuzes maakten. Erasmus keek enorm op naar Thomas More omwille van zijn slimheid en zijn gevoel voor humor. Hij hoopte dat More schrijver zou worden, maar die koos onder druk van zijn familie en zijn vrouw voortdurend voor zijn diplomatencarrière. Ik denk dat hij het schrijverschap in feite niet zo ambieerde, maar voor Erasmus wel de schijn ophield. Omdat hij het gewoon leuk vond om samen met hem met de literatuur bezig te zijn. In feite heeft hij als literair auteur vrij weinig gepubliceerd. En wat hij publiceerde, publiceerde hij steeds samen met Erasmus. Wanneer die twee mannen elkaar een jaar of tien niet meer zien, blijkt dat Thomas More alleen nog maar beleidsstukken publiceert in opdracht van de koning. Utopia kwam pas aan de orde nadat hij Erasmus weer had ontmoet. Ik vermoed dat Erasmus lange tijd niet doorhad dat zijn Engelse vriend voortdurend voor zijn diplomatieke carrière koos. Pas in 1521, toen de twee elkaar ontmoetten in Brugge, en Erasmus aan het lijntje werd gehouden door More’s collega-diplomaat en Lord Chancellor Thomas Wolsey, besefte hij dat echt. Daar kreeg hij te horen dat More gepromoveerd was tot woordvoerder van Hendrik VIII en dat hij definitief voor de macht had gekozen. Dat Erasmus dat pas zo laat begreep is wellicht ook te verklaren doordat hij al die tijd misschien wel een beetje verkikkerd was geweest op More. Erasmus had een boon voor jonge, humoristische mannen, om het voorzichtig te zeggen. Maar hij moet ook gezien hebben dat Thomas More een enorme womanizer was en dat zij dus niet op zo’n manier kameraadschappelijk met elkaar konden omgaan.”

Suggereert u nu dat Erasmus homoseksueel was?

Langereis: “Het lag heel subtiel. Ik denk niet dat Erasmus zichzelf als een mannenliefhebber zag. Maar uit zijn briefwisseling blijkt wel dat hij nooit iets voor een vrouw heeft gevoeld, terwijl er brieven zijn waarin hij overduidelijk blij wordt door de omgang met slimme, jongemannen. ‘Ze maken me weer jong,’ schrijft hij wanneer hij zelf wat ouder begint te worden. Op een bepaald moment kwam hij als privĂ©leraar van een Engelse jongeman in aanvaring met diens gouverneur. De briefwisseling over dit voorval verraadt duidelijk gevoelens van affectie die een normale relatie tussen leraar en leerling overschrijden, ook al was hij zich daar misschien zelf niet helemaal van bewust. Ik beweer dus niet dat er seks bij kwam kijken. Misschien is dat niet in Erasmus opgekomen. Dat weet ik gewoon niet. Het is heel moeilijk om in iemands hoofd te kijken, en het is nog moeilijker om in zijn hart te kijken. In zijn brieven gaf Erasmus toe dat hij heus wel last had gehad van lustgevoelens. Hij was priester en werd soms aangesproken op die gevoelens, waarna hij antwoordde dat hij zich nooit op kuisheid had laten voorstaan, wat je zou kunnen interpreteren dat hij niet zijn hele leven maagd was gebleven. Ik vermoed dat hij in Engeland seksuele ervaring heeft opgedaan met vrouwen. Hij projecteerde zijn lust op hen, maar gevoelens voor mannen had hij zeker. Toen hij in 1516 in Basel van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat aan zijn Bijbelvertaling werkte, nam hij af en toe toch wat tijd om te ontspannen, en dat was steevast met dezelfde jongeman, Heinrich Glareanus. Hij ging bij hem eten en liet hem dan voorlezen of zingen. Op een keer was de doodserieuze protestantse hervormer Ulrich Zwingli daarbij aanwezig en die merkte nadien in een brief op dat Erasmus wel heel erg familiair omging met Heinrich. Ik denk niet dat Erasmus als zestiende-eeuwer de vraag of hij homoseksueel was had kunnen plaatsen. Mensen dachten toen niet zo.”

Wij kennen Erasmus als de schrijver van Lof der Zotheid, de satire waarin de godin Zotheid een ode brengt aan zichzelf en beschrijft hoe zij de wereld regeert. Waarom schreef hij dat boek?

Langereis: “Omdat hij de Griekse antieke literatuur had ontdekt, en dan vooral Loukianos, die hem getoond had wat satire was. Hij wilde met die erfenis aan de gang omdat hij dankzij de Griekse komedieschrijvers had ingezien dat ironie het ideale middel was om in een laatmiddeleeuws, ascetisch, kleingeestig en onderdrukkend tijdsgewricht je tegendraadse standpunten kenbaar te maken zonder vervolgd te worden. De Lof der Zotheid was zijn manier om de manier te hekelen waarop zijn tijdgenoten met het geloof, de theologie en de bijbel omgingen. Dat hij het precies in 1510 of 1511 schreef had wellicht ook met persoonlijke frustratie te maken. Hij zat toen al een hele poos in Engeland. Er waren hem allerhande beloftes gedaan over het verwerven van een kerkelijk ambt dat gepaard zou gaan met een flink inkomen zonder dat hij er zijn andere activiteiten voor zou moeten stopzetten. Hij zag hoe anderen ambten in de schoot geworpen kregen, en hij kreeg niets. Lof der Zotheid was dus meer dan een J’Accuse dat maatschappelijke misstanden aan de kaak wou stellen. Hij besefte dat het boek veel stof zou doen opwaaien, en daar was hij ook echt op uit.”

En deed het stof opwaaien?

Langereis: “O ja, en het bezorgde Erasmus ook veel vijanden. Bij de theologen en kleingeestige schoolleraren die er zichzelf in herkenden viel dat boek heel slecht. Anderzijds bezorgde het hem ook een enorme populariteit en het frappante was dat die zich vooral in Duitsland voordeed. De Duitse humanisten zagen er een Germaanse emancipatiedaad in, wat helemaal de bedoeling van Erasmus niet was geweest.”

Erasmus schreef nog een ander belangrijk boek, de Novum Instrumentum, een nieuwe Latijnse vertaling van het Griekse origineel van de bijbel dat dateerde uit de eerste eeuw, waarmee hij meteen ook de bijbelwetenschap boven de doopvont hield. Zou hij zelf niet liever herinnerd worden omwille daarvan dan omwille van zijn Lof?

Langereis: “Hij wilde zowel literair auteur als bijbelwetenschapper zijn. Wellicht heb je wel gelijk dat toen hij ouder werd hij meer belang ging hechten aan dat laatste. Wat zijn benadering zo nieuw en belangrijk maakte, was dat hij inzag dat auteurschap in de bijbel een kardinaal thema was. De heilige schrift was niet zomaar door de heilige geest in een schrijver ingeblazen. De evangelisten waren gewoon mensen die op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd leefden, en die bepaalde literaire technieken gebruikten. Als lezer moest je daar rekening moet houden. Het komt er niet op aan slaafs te volgen wat er geschreven staat en om de haverklap “maar dat staat toch in de bijbel” te roepen. Je moet je eigen weg proberen te vinden, vandaar dat interpretatie zo belangrijk is. In Erasmus’ tijd was dat een belangrijk thema, en dat is het vandaag nog steeds.”

Hoezo, vandaag?

Langereis: “In het afgelopen coronajaar frappeerde het me dat men het in de Nederlandse biblebelt nodig vond om iedere zondag weer in grote groep samen psalmen te zingen. Dat lijkt me een minder moderne omgang met de tekst dan wat Erasmus voor ogen had. Vandaag zou hij wellicht de mensen oproepen om gewoon lekker thuis te blijven en de dienst online te volgen, want er is niets belangrijker dan het leven. Er staat nergens in de bijbel dat je de kerk tegen heug en meug moet blijven bezoeken.”

Wat was er anders aan Erasmus’ bijbelvertaling?

Langereis: “Erasmus was de eerste die besefte dat je de bijbel niet in het Latijn kon blijven lezen omdat er na duizend jaar kopiĂ«ren fouten in waren geslopen, maar dat je terug moest naar de grondtalen. Hij heeft daarom zoveel mogelijk handschriften verzameld om er de Griekse tekst mee te reconstrueren, en van daaruit heeft hij dan een nieuwe Latijnse vertaling gemaakt. Dat leverde een verrassend resultaat op. Sommige zaken stonden opeens niet meer in de nieuwe bijbel en andere werden op een heel andere manier geformuleerd. Zo bleek de drievuldigheid van de vader, de zoon en de heilige geest bijvoorbeeld niet in de Griekse tekst te staan. Daar ging het over de zoon, het water en het bloed, wat eerder betrekking had op de geboorte van Jezus. En het concept van de erfzonde stond er ook al niet in. Dat had Augustinus verzonnen. Voor Erasmus was dat geen reden om die erfzonde naar de prullenmand te verwijzen. Onze geloofsartikelen berusten immers niet alleen op de bijbel, benadrukte hij, maar ook op teksten van kerkvaders en op de besluiten die in de concilies zijn genomen. Ook nieuw was dat hij er een geannoteerde vertaling van maakte, waarbij hij bij ieder vertaalprobleem uitlegde waarom hij bepaalde keuzes had gemaakt en de lezers dus leerde hoe de redactie van zo’n bijbeltekst in zijn werk ging. Erasmus wou in de eerste plaats een nieuwe generatie priesters opleiden tot beter begrip van de bijbel, maar hij wou die ook toegankelijk maken voor de gewone lezer.”

Waarom kreeg het Novum Instrumentum pas vanaf de tweede druk de titel Novum Testamentum, want dat was het toch ook gewoon, een nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament?

Langereis: “Omdat hij dacht met Instrumentum een aantal problemen te kunnen voorkomen. Dat woord komt trouwens alleen op de voorkant van het boek voor. Binnenin gebruikte hij gewoon Testamentum. Titelpagina’s werden in die tijd pas op het einde gedrukt, na de rest van het boek. Ik zie het zo voor me, dat hij dacht: nou, laat ik er maar Instrumentum op zetten, dan voorkom ik een aantal problemen. Maar die problemen kwamen er toch, dus vond hij dat vanaf de tweede druk niet meer nodig. Er werd furieus gereageerd op het boek. Inmiddels was Luther ten tonele verschenen en alles lag opeens veel gevoeliger. Allerlei theologen begonnen hem vervelende brieven te schrijven, er werden nare publicaties de wereld ingestuurd, een aantal theologen werd aangesteld als Inquisiteur en uiteindelijk werden zijn boeken verboden, ook zijn zuiver literaire. Het verdwijnen van de drievuldigheid schoot bijvoorbeeld in het verkeerde keelgat. Er werd een vervalste Griekse bijbel bijgehaald waar die wel in voorkwam. In latere drukken heeft Erasmus daarom de drievuldigheid weer toegevoegd. Het was een capitulatie, zou je kunnen zeggen, maar in een commentaar schreef hij uiteindelijk toch wat er volgens hem aan de hand was.”

Je vermeldde Luther al. Erasmus wordt wel eens de wegbereider van Luther genoemd, maar klopt dat wel?

Langereis: “Nee, absoluut niet. Luther en de andere hervormers stoorden zich heel erg aan het bijbelwetenschappelijke en het literaire werk van Erasmus. Zij vonden dat net zo onverteerbaar als de Leuvense Inquisiteurs. Luther was in feite heel ouderwets, ook al was hij veel jonger dan Erasmus. Ik heb de teksten en brieven van Luther bestudeerd en daaruit komt hij naar voor als zo’n ouderwetse Broeder van het Gemene Leven die Erasmus in het klooster had leren kennen en waar hij zich zijn hele leven tegen had verweerd. En dat hoeft ook niet te verbazen natuurlijk, want net als die broeders was Luther een Augustijn. In de eerste twee decennia van de zestiende eeuw moet Erasmus gedacht hebben dat er een nieuwe wind waaide door Europa. Er was een nieuwe, jonge en humanistische opgeleide paus, Leo X, die sympathie leek te hebben voor een nieuwe omgang met het geloof en de bijbel en het scholen van een nieuwe generatie kerkleraren. Daar wou Erasmus aan meewerken. Toen Luther de kop opstak sloeg alles om en bleek Leo X toch gewoon een Medici te zijn die voor de macht en de status quo koos. Erasmus was geen wegbereider van dat proces. Hij was de weg van de rationaliteit opgegaan en werd op een gegeven moment geblokkeerd door Luther. Erasmus wou de kerk hervormd zien, niet als Luther, die wou breken met de kerk, hij wou er een intelligenter instituut van maken.”

Was Erasmus uiteindelijk geen bijzonder tragische figuur, de man van de rationaliteit die dreigde geplet te worden tussen het aambeeld van het conservatieve katholicisme en de hamer van het misschien nog wel conservatievere protestantisme?

Langereis: “Zo kun je hem zeker zien. Luther wordt nog vaak als de grote vernieuwer voorgesteld, waarbij het Erasmus dan kwalijk wordt genomen dat hij niet heeft willen inhaken op die vernieuwing en dat hij Luther in de steek heeft gelaten. Maar dat is een fout beeld. Luther en Erasmus waren heel verschillende types. Erasmus heeft het zichzelf moeilijk gemaakt door de laatste jaren van zijn leven per se in Basel te willen wonen, waar ene Oecolampadius de plak zwaaide en de beeldenstorm hevig tekeer ging, en toch de protestanten niet te willen steunen. Het is tekenend voor Erasmus’ karakter dat hij dat niet heeft willen doen en dat hij hen is blijven verwijten dat ze zich blind staarden op de bijbel, ruzie maakten over de kleinste geloofsartikelen en zich maar bleven opsplitsen in nieuwe kerkgemeentes. In plaats van die grote dictator in Rome had opeens ieder Zwitsers stadje zijn eigen kleine dictatortje. Die mannetjes eisten de waarheid op, bepaalden hoe de bijbel gelezen moest worden en hoe je met andere mensen om moest gaan. En uiteindelijk gaat het toch daar om: hoe behandel je de anderen, mag je nog wel met iedereen trouwen en mag je nog wel met iedereen bevriend zijn. Erasmus heeft tot op het eind van zijn leven geprobeerd om daar onafhankelijk in te blijven en om mensen de weg te wijzen naar discussie en samenleven. De tragiek is dat hij daarin uiteindelijk alleen kwam te staan.”

Eerder verschenen in Knack