Maandag, 5 oktober, 2020

Geschreven door: Horlings, Jeroen
Recensie door: Schut, Gerald

Een objectieve kijk op waterstof

Waterstof voorzien van broodnodige grijstinten

Waterstof is veelbelovend, maar de verwachtingen zijn vaak te hooggespannen. Tech-journalist Jeroen Horlings waarschuwt voor naïviteit zonder besef van tijdschalen.

[Recensie] Ja, waterstof gaat een belangrijke rol spelen in een duurzaam energiesysteem, maar de verwachtingen zijn vaak te hoog gespannen. Pas over een jaar of 20 zullen er voldoende zonnepanelen en windmolens staan om bovenop het verduurzamen van de bestaande stroomvraag ook nog eens de lang verwachte ‘groene waterstof’ te gaan produceren. Populaire media lijken te vaak te verwachten dat we morgen al massaal aan de groene waterstof kunnen, waardoor andere noodzakelijke veranderingen als woningisolatie en elektrificatie van personenvervoer kunnen worden vermeden. Daardoor ligt het gevaar van verdringing op de loer, waarschuwt Jeroen Horlings op verschillende plekken in zijn boek Een objectieve kijk op waterstof. Uitdagingen en kansen voor de klimaat- en energietransitie. Als geplande windmolens worden ingezet voor elektrolyse, wordt de bestaande stroomvraag niet vergroend en verstook je gas in elektriciteitscentrales in plaats van er direct waterstof van te maken. Dat is minder efficiënt met als gevolg een hogere CO2-uitstoot. Groene waterstof moet je alleen maken van éxtra windmolens en zonnepanelen. Zo zou het vervangen van het huidige gebruik van de 800 kton grijze waterstof in de Nederlandse industrie door groene, bovenop de geplande 11,5 GW aan winparken op de Noordzee in 2030, nog eens 10 GW aan windparken extra vergen. Zolang daarvoor concrete plannen ontbreken is op systeemniveau geen sprake van groene waterstof en is het verstandiger om in te zetten op blauwe waterstof, waarbij de CO2 die vrijkomt bij stoomreforming van aardgas onder de grond gestopt wordt.

Horlings zet mooi de fysieke eigenschappen van het meest voorkomende atoom in het heelal op een rij en laat zien welke kansen en beperkingen die eigenschappen bieden. Ook de alternatieven voor waterstof als energieopslag passeren de revue. Ammoniak is in vloeibare vorm energiedichter en vergt geen hoge druk, maar levert extra rendementsverlies op. Dat geldt ook voor mierenzuur (CH2O2) dat nog iets veiliger lijkt, maar een ketenrendement heeft van slechts 13 %.

Merkwaardig is de keuze van methaan-molecuul op de cover van het boek, maar eerlijk is eerlijk een waterstofmolecuul is visueel ook wel een heel saai ding. Ook jammer is dat Horlings in het eerste deel van het boek wel erg veel aandacht besteed aan de inzet van waterstof voor personenwagens, terwijl de snelle ontwikkeling van batterijen die toepassing eigenlijk al irrelevant heeft gemaakt. Dit komt waarschijnlijk omdat Horlings vanuit de interesse in auto’s aan het onderwerp is begonnen. Experts zijn doorgaans optimistischer over de inzet van bestaande gasleidingen voor transport van waterstof dan Horlings (alleen flenzen en compressoren moeten worden vervangen). Tenslotte wordt het ketenrendement van elektrolyse en stroomwekking via een brandstofcel doorgaans wat hoger geraamd dan Horlings doet.

Trouw

Dit zijn mineure kritiekpunten voor een leesbaar, helder boek dat veel aspecten van “de heilige graal van de energietransitie” belicht en knelpunten goed benoemt.

Eerder verschenen op TW.nl