Woensdag, 1 januari, 2020

Geschreven door: Bernlef, J.
Artikel door: Heumakers, Arnold

Eclips Heum

Een bizarre situatie

[Recensie] Bernlef schrijft meestal romans en verhalen die volkomen realistisch schijnen. Personages, plot, omgeving – het is allemaal steeds zeer herkenbaar, alledaags, zelfs wanneer het buitenland tot decor is gekozen. Toch krijg je niet de indruk dat het hem in de eerste plaats om realisme is te doen. De werkelijkheid van alledag is eerder een uitgangspunt om ergens anders terecht te komen, waar de herkenbaarheid opeens niet meer aanwezig is.

Het meest voor de hand liggende voorbeeld is natuurlijk Hersenschimmen, de roman waarin hij van binnenuit de ervaringen beschrijft van een man die dement wordt. De literaire verbeelding is hier het middel om door te dringen tot iets waar de buitenwereld niet bij kan komen.

Bernlefs nieuwe roman Eclips begint met net zo’n situatie. Al op de eerste bladzijde wordt de mannelijke hoofdpersoon getroffen door een stoornis, waardoor plotseling de linkerhelft van zijn lichaam uit het bewustzijn verdwijnt. Hij rijdt met auto en al de vaart in en weet zich ternauwernood uit het zinkende wrak te redden. Dan beginnen tien dagen van opperste verwarring, waarin hij zeer geleidelijk weer tot zichzelf komt. Het proces dat wordt beschreven lijkt op dat in Hersenschimmen, maar dan omgekeerd.

Wat is er precies met de hoofdpersoon (die zich pas halverwege de roman herinnert dat hij Kees Zomer heet) aan de hand? Heeft hij een beroerte gehad, een hersenbloeding? Dat blijft in het midden. Alle aandacht gaat uit naar de bizarre situatie waarin hij terecht is gekomen. Zijn geheugen is uitgewist, al komen er wel enkele losse herinneringen boven aan zijn vroegste kindertijd. Ook blijkt hij de macht over zijn woorden te zijn kwijtgeraakt. Hij weet nog wel wat hij wil zeggen, maar als hij zijn mond open doet komen de woorden er heel anders uit, plechtig, formeel, levenloos.

Wordt Vervolgd

Tien dagen lang zwerft hij stuurloos rond aan de zelfkant van de maatschappij. Door een bewaker wordt hij weggejaagd van het kantoorgebouw waar hij hulp zoekt. Daarna neemt een shoppingbag-lady hem onder haar hoede, hij verblijft een paar dagen in het gezelschap van twee broers die op een autokerkhof wonen en komt vervolgens onderdak bij een boer die de geordende samenleving de rug toe heeft gekeerd. Ten slotte wordt hij op het strand bij Bergen aan Zee door de politie opgepikt en kan hij weer naar huis.

Het contact met deze randfiguren brengt enige – nogal obligate – cultuurkritiek de roman binnen. “Een hoop kouwe drukte en bergen afval, dat is de maatschappij van tegenwoordig,” zegt de boer die niet meer mee doet, en de anderen met wie Kees tijdens zijn `eclips’ in aanraking komt zouden het hem kunnen nazeggen. Ook Kees voelt zich na zijn hachelijke avontuur niet meer helemaal thuis in de moderne beschaafde wereld. Het industrielandschap waar hij op weg naar huis doorheen rijdt, mist in zijn ogen elke `consistentie’, elke `samenhang’. De wereld heeft voor hem haar vanzelfsprekendheid verloren.

Maar dat is hoogstens een consequentie van datgene waar in deze roman de meeste aandacht naar uitgaat: een bestaan dat het tijdelijk moet stellen zonder de gebruikelijke categorieën van plaats en tijd, van herinnering en identiteit, van taal en communicatie, waarmee we ons in het leven plegen thuis te voelen. De shoppingbag- lady zegt tegen Kees: “Je lult als een computer.” Zelf heeft hij het gevoel `opnieuw geprogrammeerd’ te zijn, maar dan op een manier die niet meer aansluit bij de dingen om hem heen.

Nu en dan doet hij (in zijn hoofd, want denken kan hij vreemd genoeg nog altijd) een poging zijn nieuwe situatie onder woorden te brengen. De afwezigheid van zijn linker lichaamshelft geeft hem het besef in aanraking te zijn gekomen met “het vormeloze, de ruimte in de wereld, los van de dingen die haar zin geven, substantie.” Elders denkt hij: “Ik voel mij zoals een dier zich moet voelen, alleen in de ruimte, zich voortbewegend van een niets naar een nergens.” Achteraf kan hij zich dan ook niet meer herinneren wat hij gedurende die tien dagen heeft meegemaakt. Het is alsof hij heeft geleefd “in een ruimte […] waar geen verhalen meer waren, als onder een glazen stolp waar de lucht uit vandaan was gepompt.”

Maar veel meer dan een vermoeden van wat hem is overkomen geeft dit niet. Het valt nu eenmaal niet mee rechtstreeks in taal uit te drukken hoe het is zonder de macht over de eigen woorden te moeten leven. Ook het regelmatig terugkerend beeld van het elektrospel biedt slechts een indicatie. In het elektrospel gaat het erom via het juiste antwoord op de vraag contact te maken waardoor het lampje gaat branden, en dat is nu juist wat Kees niet meer blijkt te kunnen. Wat de woorden en de dingen met elkaar verbindt, is bij hem gaan ontbreken.

De ervaring die hem ten deel valt is er een waarvoor meer moderne schrijvers belangstelling hebben getoond. Tijdens het lezen van Eclips moest ik herhaaldelijk aan Samuel Beckett denken, een auteur voor wie Bernlef veel bewondering heeft, zoals mag blijken uit zijn novelle Vallende ster waarin uit een toneeltekst van Beckett wordt geciteerd. Ook voor sommigen van zijn helden heeft de wereld haar vanzelfsprekendheid verloren. In toenemende paniek houden zij monologen, zonder dat hun taal nog het vermogen bezit henzelf en hun omgeving van een herkenbare identiteit te voorzien.

Zo alomvattend en radicaal als bij Beckett is de `eclips’ bij Bernlef niet. Zijn hoofdpersoon dwaalt rond in een – althans voor de lezer – steeds zeer herkenbaar Noordhollands landschap, met weilanden, dorpen, duinen, strand, zee. Ook komt hij zeer herkenbare mensen tegen die luisteren naar oerhollandse namen als Toos, Karel of Cor. Dat maakt Bernlefs wereld aanzienlijk minder angstaanjagend dan die van Beckett, ook al staat wat hij beschrijft dichter bij wat de lezer zelf zou kunnen overkomen. Beckett schrijft in het vacuüm van de verbeelding, Bernlef waagt zich in de praktijk hooguit één stap buiten de grenzen van het realistisch mogelijke. Kees Zomers stoornis is ook vast ergens in de medische handboeken terug te vinden.

Het belangrijkste verschil zit echter in het taalgebruik. Bij Beckett is dat virtuoos op de vierkante centimeter. Bernlefs idioom is in deze roman, zoals altijd, doodgewoon, alledaags, op het saaie af zelfs. Wanneer Kees zijn mond opendoet, rollen er vreemde, verstoorde zinnen uit; wanneer hij over zijn belevenissen vertelt (de roman is geschreven in de ik-vorm) klinkt hij als J. Bernlef.

Toch heb ik de roman als geheel niet saai gevonden, omdat Bernlef er binnen de beperkingen van zijn stijl heel goed in is geslaagd de ontreddering van zijn hoofdpersoon aannemelijk te maken. Het kost geen moeite met deze Kees Zomer mee te leven. En ook al wordt de realistische schijn niet echt doorbroken, men krijgt toch even een glimp te zien van het onbevattelijke dat ons wacht wanneer om wat voor reden dan ook de conventies van identiteit, taal, tijd en ruimte ons plotseling zouden ontvallen.

Eerder verschenen in De Volkskrant