Woensdag, 1 januari, 2020

Geschreven door: Basart, R.A.
Artikel door: Heumakers, Arnold

De laatste lach

Beïnvloed door de groten

[Recensie] Dante, Hermans, Joyce – het zijn slechts drie van de vele schrijvers en dichters die hun stem hebben geleend aan De laatste lach, de roman waarmee de dichter R.A.Basart na jaren van stilzwijgen zijn literaire rentree maakt. Gelezen heeft hij wel in de tussentijd, zelfs zoveel dat elke illusie nog iets origineels te kunnen schrijven voorgoed is verdwenen. De ironie, die ook al in de poëzie van Oranjebal (1974) en De gezonde apotheek (1977) regeerde, is erdoor aangezwollen tot welhaast bovenmenselijke proporties. Niets is wat het lijkt in Basarts roman, een vernuftig bouwsel vol dubbele bodems, literaire verwijzingen en ongegeneerd jatwerk.

“Ik zing voor u. Voor u heb ‘k geen geheimen./ Verwacht dus geen verborgen zin./ Voor u zit ik me suf te rijmen:/ Wie strikken zoekt, die trapt erin,” heette het nog in de ‘opdracht’ bij De gezonde apotheek. Aan ‘strikken’ bestaat nu geen gebrek, maar de lezer kan moeilijk beweren dat hij niet is gewaarschuwd. Al op een van de eerste bladzijden lezen we: “Oprechtheid in de literatuur is een stijl, mevrouw, een van de vele stijlen.” Aan het woord is Adam Beek, ooit leraar Nederlands en nu werkzaam bij het bureau Tekst-plus dat afgewezen manuscripten van aspirant-schrijvers tegen betaling van commentaar voorziet.

Net als Basart zelf heeft deze Beek in het verleden enige furore gemaakt als dichter en daarna is hij in het onderwijs verdwenen, met alle gevolgen van dien. Ondanks zijn hang naar orde en symmetrie heeft hij het niet kunnen bolwerken; de boeken zijn hem naar het hoofd gestegen. Zelf heeft hij het idee niemand meer te zijn en nog alleen uit boeken te bestaan, een postmoderne schim van andermans woorden, die zijn leerlingen slechts kan aanraden de straat op te gaan, het echte leven in. Want in boeken vind je niets dan ‘papier en inkt.’

Wat Beek is overkomen, gaat in feite op voor alle literatuur, vindt Basart: “Alle schrijvers graaien in dezelfde letterbak (…) Niemand zingt zijn eigen lied.” Hoe kun je dan toch nog zeggen wat je op het hart hebt – dat is het probleem waarmee elke schrijver in het reine moet zien te komen.

Wordt Vervolgd

Voor Basart begint de oplossing, zo blijkt, met het erkennen van de onmogelijkheid ooit iets authentieks te zullen schrijven. Alles is al geschreven, elke schrijver pleegt plagiaat, zelfs de grootste. Daarom laat hij zijn Adam Beek doodgemoedereerd een manuscript (‘De grote Coen,’ gemodelleerd naar Le grand Meaulnes of The great Gatsby) stelen dat hem ter beoordeling is voorgelegd. En bij deze ene diefstal blijft het niet. Uit bijna alle manuscripten die op Beeks bureau belanden wordt vrijelijk geput, evenals uit de halve wereldliteratuur, om de midlife-crisis van deze mislukte leraar te beschrijven.

Het literaire probleem is bij hem tevens een existentieel probleem, en daarbij springt het gebrek aan originaliteit niet minder in het oog. Beeks afdaling in zijn private hel wordt dan ook van meet af begeleid door citaten uit de Divina Commedia, de literaire oertekst van elke midlife-crisis. Alleen blijft bij Basart het paradijs onbereikbaar. Het laatste woord is eerder aan de `lach’ uit de titel, een lach die vanzelf in `braken’ overgaat. Alsof Basart wil zeggen: van al het gelezene raak je pas weer verlost als je erom kunt lachen. Toch is zijn roman, in weerwil van de alom aanwezige humor, niet één grote grap. Daarvoor is zijn hoofdpersoon te drastisch de kluts kwijt, al valt het niet mee om vast te stellen waarom precies.

Suggesties zijn er in overvloed: Adam Beek worstelt met de herinnering aan zijn vroeg gestorven joodse vader, terloops wordt meegedeeld dat zijn eerste vrouw en zijn kind zijn verongelukt, zijn tweede vrouw heeft hem tijdens de crisis verlaten vanwege zijn affaire met een oud-leerlinge, hij wordt van kinderlokkerij beschuldigd, hij lijdt aan psoriasis, enzovoort. Helemaal zeker is echter niets. De laatste lach is allerminst een realistische of psychologische roman. In de verhalen die worden verteld komen de gestorven personages moeiteloos weer tot leven. Ook Beeks tweede echtgenote Elfje, die hij op zeker moment toch echt leek te hebben vermoord (om het geluk met haar te `conserveren’) loopt een hoofdstuk later weer gewoon rond. En is er wel ooit een kind geweest? Is dat kind niet vooral een wensdroom, zoals je zou kunnen afleiden uit Beeks gelukservaring met het meisje M., dat voor hem zoveel als “een kind en minnares ineéén” blijkt te zijn?

Over dit meisje wordt gezegd dat zij “de tijd tot stilstand [had] gebracht zonder hem de razende snelheid te doen verliezen” – een verwijzing naar W.F.Hermans, over wiens poëzie Adam Beek een dissertatie voorbereidt. Volgens hem is het paradoxale probleem bij Hermans dat het verlangen de tijd tot stilstand te brengen het leven niet voor de dood behoedt, maar juist dood maakt. Misschien is dit wel de essentie van Beeks midlife-crisis (hij lijkt dood zonder gestorven te zijn), en het is tegelijk het literaire probleem dat Basart in navolging van Hermans onder ogen heeft willen zien. Alle literatuur is een verweer tegen de vergankelijkheid, maar in de fixatie door de woorden schuilt ook de dood. Hoe hou je de zaak in beweging, als je uitsluitend de beschikking hebt over woorden?

In Hermans’ verhaal ‘Lotti Fuehrscheim’ uit de bundel Paranoia, waarnaar meer dan eens wordt verwezen, staat tegen het eind: “Het werd zeer, zeer ingewikkeld.” Zo is het ook in De laatste lach. Het vlechtwerk van verhalen, brieven en dag- boekfragmenten, waarin de administratief medewerkster van Beeks oude school Deborah Vrugt als verteller optreedt en waarin Beek zelf commentaar levert op het door hem geplagieerde manuscript, laat zich nauwelijks ontwarren. Wanneer Beek in het slothoofdstuk naar Italië̈ vertrekt, waar zijn liefde voor Elfje – als die van Adam voor Eva – ooit paradijselijk is geweest, treedt er bovendien nog een andere verteller op, die door Beek in de spiegel bij de kapper als zijn achtervolger wordt herkend. Wie deze verteller is (de schrijver als de dubbelganger van zijn eigen hoofdpersoon?) blijft onuitgelegd, maar samen met de kapper slaagt hij of zij er tenslotte in het uitgelachen lichaam van Beek ‘naar binnen’ te zeulen.

Het is verleidelijk om dat ‘binnen’ op te vatten als het hoofd van de lezer, waarin Basarts personages nog lange tijd mogen rondspoken. Want loslaten doen ze je niet zo gauw, al die raadselachtige wezens van inkt en papier. Hetzelfde geldt voor de hilarische taferelen, die Basart met behulp van zijn literaire voorbeelden weet voor te toveren. Het ontsporende verjaardagsfeestje bij de familie Vrugt, de lange joyceaanse kroegconversatie in het derde deel, de verwarring van de leraar Beek voor zijn onbeheersbare klas – met (deels geleende) meesterhand wordt het allemaal opgeroepen. En dat niet alleen: net als de onopgeloste raadsels geven zulke taferelen vaart en beweging aan deze overvolle roman, die met succes een innerlijke chaos poogt te bezweren door deze zo compleet mogelijk in kaart te brengen.

Voor het eerst gepubliceerd in NRC Handelsblad