Woensdag, 1 januari, 2020

Geschreven door: Boogaard, Oscar van den
Artikel door: Heumakers, Arnold

De heerlijkheid van Julia Heum

De hartstocht en de liefde zijn voorbij

[Recensie] Op zoek naar de volheid van het echte leven zijn ze, de helden van Oscar van den Boogaard. In zijn drie vorige romans beschreef hij jongelieden op de drempel van de volwassenheid, vol verlangen naar hartstocht en liefde. Alles of niets moest het voor hen worden, maar wat precies blijft onduidelijk omdat de drempel binnen de romans niet echt overschreden wordt. In De heerlijkheid van Julia, Van den Boogaards vierde roman, is dat anders. Ditmaal begint het verhaal als dat echte leven, die hartstocht en die liefde al voorbij zijn en er nog alleen een geduldig wachten op de dood rest. Het chronologische leven valt immers niet samen met het leven in de figuurlijke zin van het woord. Het gaat er niet om je tijd uit te dienen, maar: “In dit ene leven moet je al je verlangens waarmaken.”

Degene die dit al in het tweede hoofdstuk zegt is Julia, inmiddels een vrouw van middelbare leeftijd. In de rest van de roman lezen we hoe zij haar verlangens heeft waargemaakt. Zij is op jeugdige leeftijd getrouwd met de veel oudere Maurice en ontdekt op het Vlaamse platteland (het “Pajottenland”), dat zij met haar man en haar twee kinderen hard op weg is te verkommeren. Een kat in nood maakt rare sprongen. Zo ook Julia, die zich halsoverkop in de armen stort van haar bejaarde buurman en huisbaas Omer. Op de hooizolder en op de werkbank weet hij alsnog het verborgen “beest” in haar boven te halen.

Nadat aan de verhouding een eind is gekomen (het wordt de oude baas te veel), vertrekt Julia naar Brazilië̈, waar zij bij haar zoon gaat logeren. Wat zij wil is: “opnieuw beginnen. Van voren afaan.” Met de jonge god Marcello, die haar intussen “een lieve duit” kost, lijkt zij het geluk te hebben gevonden: “Marcello, licht van mijn leven, prevelde Julia, voortaan is mijn leven licht.” Een voorbarige conclusie, want Marcello wordt getroffen door een politiekogel en Julia kan weer terug naar België̈, naar echtgenoot Maurice. Na een laatste, fatale vereniging met Omer is haar leven voorbij. Geen tragisch einde, aangezien Julia heeft gevonden wat zij verlangde – tragisch is alleen de klok met de angstaanjagende Medusa-kop, die voortaan onopgewonden in de kelder rust.

Het is zo op het oog een nogal banale geschiedenis, de midlife-crisis van een Vlaamse madam. Maar er zitten een paar ongewone kantjes aan, zoals het leeftijdsverschil tussen Julia en Maurice en – a fortiori – tussen Julia en Omer. Iets wat zich overigens laat verklaren uit haar nagenoeg vaderloze jeugd, waarover we in het laatste deel van de roman worden ingelicht.

Bazarow

Een andere ongewone kant is de sprookjesachtige fantasie in Julia’s hoofd. Wanneer zij met Maurice trouwt, is zij nog “een meisje verborgen in een speelgoedwereld vol blauwe bloemen met gele hartjes.” Haar onbehagen (“deze wereld klopte niet”) relateert zij dan ook aan de disharmonie met de “oerklop, de klop van vrouw Holle die maakte dat het sneeuwde op aarde als het moest sneeuwen.” In dezelfde lijn ligt haar ontvankelijkheid voor de mysteriën der natuur (Omer is voor haar een “machtige oude eik,” die zij in gedachten toeroept: “laat jouw prachtige glanzende eikel mij vervullen”) en voor de inheemse magie die haar Braziliaanse ‘amour fou’ omlijst.

Julia maakt haar verlangens waar en kiest tegelijkertijd voor de verbeelding. Oscar van den Boogaard stelt dat in de gelegenheid een ware stortvloed van doorwrochte beelden, metaforen en symbolen op de lezer los te laten. Alle registers worden daarbij opengetrokken. De heerlijkheid van Julia is ontegenzeggelijk een roman met lyrische ‘Schwung’. Maar ook wordt de grens met de kitsch royaal en ongegeneerd overschreden, want Van den Boogaard legt het er wel erg dik bovenop.

Bijvoorbeeld wanneer hij Julia in het bos een inktzwam laat ontdekken: “Ze nam gefascineerd waar hoe hij groeide, zijn omhullende witte vlies deed scheuren en zijn machtige kop te voorschijn liet komen. Hij werd steeds voller, rijper, donkerder, dreigender, nog even en hij zou uitbarsten.” Dat de oude Omer een paar bladzijden verder blijkt te beschikken over een “heerlijk machtige paddestoel,” kan dan geen verrassing meer heten.

Kitsch wordt zo’n beeld door zijn al te expliciete en eenduidige karakter. Van den Boogaard heeft er vaker last van. Neem een zin als de volgende: “Vaag besefte ze dat ze verkommerde in Vollenzele, dat ze geen verbinding had met de gewone we- reld.” Het valt moeilijk te ontkennen. Maar in plaats van de vaagheid van Julia’s besef op te roepen of te suggereren, komt Van den Boogaard met een abstracte descriptie, die op geen enkele manier tot de verbeelding spreekt. Zo ondermijnt hij zelf de kracht van de lyriek, die elders uit zijn pen vloeit. De hartstocht en de extase die in deze lyrische passages ontvlammen, krijgen er een louter nominale betekenis door. Even mag de taalkraan open, maar slechts bij wijze van literaire exercitie.

Met dezelfde nadrukkelijkheid helpt Van den Boogaard een ander beeld om zeep: het potje stuifmeel, dat Julia zich op een cruciaal moment aanschaft in een Brusselse galerie. De aanschaf markeert haar gewonnen zelfstandigheid en symboliseert de aard van haar verlangen. Helaas krijgt de lezer geen kans dat zelf te bedenken, want wat staat er: “het was geen troost, het was het bewijs van haar eenheid, haar authenticiteit, haar controle over dit leven, het was eenvoudigweg een passend attribuut.” Wanneer Julia vervolgens van de explicatie door dochter Veerle alleen onthoudt, dat de pollen die de kunstenaar in het potje heeft verzameld “eigenlijk allemaal spematozoïden” zijn, is elke twijfel uitgesloten: Julia wil een man en kan vertrekken naar Brazilië̈.

Hartstocht is ongetwijfeld iets heel moois, een onmisbaar en ongrijpbaar goed, maar in combinatie met kitsch en overbodige uitleg blijft er literair weinig van over. Ondanks alle vaart en variatie (een bewijs dat Van den Boogaard als verteller wel degelijk iets in zijn mars heeft) is De heerlijkheid van Julia een invuloefening geworden, waarvan de opdracht te zeer zichtbaar blijft. De halfslachtige poging om er met behulp van de compositie een soort thriller van te maken (we vernemen in het eerste hoofdstuk dat Omer onder verdachte omstandigheden is overleden en komen er pas veel later achter hoe) geeft aan dat de schrijver kennelijk zelf twijfelde aan de spanning van zijn verhaal.

Die spanning had moeten komen van het raadsel dat Julia is. Niet voor niets vindt haar omgeving haar “vreemd” en zelfs “gek.” Dank zij de inspanningen van Van den Boogaard verliest zij echter elke raadselachtigheid en wat dan overblijft is inderdaad niet veel meer dan een banale geschiedenis. Intrigerend is nog alleen de – terloops beschreven – relatie met haar homoseksuele oom Tom en diens jongere vriend Frederik. Beiden dienen Julia onbewust tot voorbeeld, en dat wordt nu eens niet met aanwijsstok en al te doorzichtige metaforiek opgeklaard. Wellicht was met dit gegeven als uitgangspunt een betere roman ontstaan.

Eerder verschenen in De Volkskrant