Vrijdag, 25 december, 2020

Geschreven door: Valéry, Paul
Recensie door: Francet, Elisabeth

De crisis van de geest

Het lot van de geest in crisistijd

[Recensie] Op kantelpunten is een beschaving even fragiel als een leven. Niet alleen kunnen zelfs de best geordende dingen onverwacht vergaan, ook ontstaan er in het denken plots paradoxen die het vanzelfsprekende bruutweg onderuit halen. In de prikkelende essaybundel, De crisis van de geest, werpt prominent Frans intellectueel, essayist en dichter Paul Valéry (1871-1945) zijn licht op de toekomst van Europa, de geest als waarde en het gebruik van de term vrijheid. Het werk is dan ook bijzonder actueel.

In het eerste essay, De crisis van de geest (1919), beschrijft ValĂ©ry de Grote Oorlog als een dergelijk kantelpunt. De wanorde, waarin zowel het geestelijke als het materiĂ«le verwoest dreigen te worden, laat nieuwe dogma’s, filosofieĂ«n en heterogene idealen opleven. In een crisis die haar ware kern niet makkelijk laat vatten, doet de Europese ziel een beroep op elke gekende bezweringsformule. Het brein holt van de realiteit naar de nachtmerrie en vice versa, wat “de bekende productie van de angst” in gang zet. Zeker, de hoop blijft bestaan, maar ze is “slechts het wantrouwen van de mens ten aanzien van de precieze verwachtingen van zijn geest”.

Mogelijk had Europa in 1914 de grens van de moderniteit bereikt en peinsde de naoorlogse moderne Europeaan “over het leven en over de dood van waarheden”, wankelend tussen twee afgronden: orde en wanorde. Maar hoe dwaas de obsessie van de Europeaan om almaar te willen vernieuwen! ValĂ©ry onderzoekt de oorsprong van het Europese genie, dat zich volgens hem al manifesteerde in het oude Griekenland, de wieg van de moderne wetenschap. Diezelfde wetenschap werd later een machtsmiddel, een concreet instrument om te heersen en om “het kapitaal op planetaire schaal te exploiteren”. Ze hield gaandeweg op een doel en een artistieke activiteit te zijn. Het weten werd een ruilwaarde, binnen ieders bereik.

Helaas heeft de mens het in zich om het evenwicht met zijn omgeving te verstoren. Door zijn vermogen om te dromen is hij “het instrument van wat niet is”. Verovering en universele beheersing, hetzij materieel of spiritueel, alles wat wij beschaving en vooruitgang noemen, is verbonden met die buitengewone productie van dromen, aldus ValĂ©ry. “We dromen er zelfs van de dood te overwinnen, het perpetuum mobile te realiseren.” Op het continent Europa, kruispunt van de wereld, zijn heel wat van die universele dromen gerealiseerd geweest, dankzij uitwisseling.

Hereditas Nexus

ValĂ©ry waagt zich aan een definitie van de Europeaan, in essentie gevormd door het oude Rome, het christendom en de oud-Griekse discipline van de geest. Door die drie wezenlijke invloeden heeft zich in Europa een methode van denken ontwikkeld die ernaar streeft “alle dingen met de mens in verband te brengen”. Daaruit ontstond de exacte wetenschap, op Europese leest geschoeid: “een zuivere constructie, los van elke andere zorg dan die voor het bouwwerk zelf” en een schitterende orde “waarin elke handeling van het verstand precies haar plaats kreeg, zorgvuldig gescheiden van de andere”. Definities, axioma’s, lemma’s en logische gevolgtrekkingen gingen de Europese geesten beheersen, maakten de machine van de geest zichtbaar en ontwierpen de architectuur van de intelligentie. Een nieuwe tempel was opgericht.

In het tweede essay, Ons lot en de letteren (1937) gaat Valéry dieper in op de transformatie van de wereld door de geest tijdens de voorafgaande decennia. De inventieve inspanningen van de Europeaan hebben zich tegen hemzelf gekeerd. Zelfs de duivel vraagt zich af hoe de Europeaan denkt dat zijn organen zich gedragen bij hoge snelheden en lage druk. Zal zijn bloed zich aanpassen aan een sterk met koolstof vervuilde lucht? Zal zijn netvlies schitteringen en stralingen verdragen die steeds sterker worden? Zal hij de trillingen van elke frequentie, zal hij synthetisch voedsel kunnen verteren? En wat met de geest, onderworpen aan een wonderbaarlijke hoeveelheid incoherente nieuwtjes? Wat ten slotte met de zintuigen die onophoudelijk al die schouwspelen, de kakofonie, de politieke en economische opwinding in sneltempo moeten verwerken?

Onomwonden spreekt ValĂ©ry de Europeanen toe: “Jullie zijn proefkonijnen, beste mensen, en proefkonijnen die heel slecht gebruikt worden, want de proeven die jullie ondergaan, worden jullie lukraak toegediend, lukraak gevarieerd en herhaald.” Wie regelt, doseert, controleert, interpreteert de experimenten? Niemand. Het zijn de mode, de industrie, de gecombineerde krachten van de inventiviteit en de publiciteit die bezit van de geesten hebben genomen en de politiek laat hen in de pas marcheren, “laat stemmen, haten, liefhebben of sterven in de maat, zonder onderscheid, statistisch.”

ValĂ©ry prakkiseert over het lot van de letteren in een systematische, compleet georganiseerde samenleving, gefundeerd op een strikte economie waarin voor het ‘onnutte’ geen plaats is. Het is niet ondenkbaar dat er in het komende tijdperk “een ineenstorting van intellectuele waarden zal plaatsvinden. De vulgarisering en de toepassing van de industriĂ«le methoden op de productie, de evaluatie en de consumptie van de vruchten van de geest zullen volgens ValĂ©ry uiteindelijk twee van de hoogste en belangrijkste intellectuele deugden bederven: aandacht en het vermogen tot bespiegeling en kritiek. ValĂ©ry heeft de indruk dat er een verschrompeling van de geest gaande is, door verminderde aandacht voor kwaliteit en diepgang. “Het eerste gevolg ervan zal zijn dat het alle werken van het verleden, gemaakt in volkomen tegengestelde omstandigheden voor geesten die heel anders gevormd zijn, ofwel onbegrijpelijk of onverdraaglijk zal maken.”

Maar er bestaat nog een andere mogelijkheid: terugkeren naar de zintuigen, naar de oorsprong die we zo slecht kennen en naar De vrijheid van de geest. Dat is meteen de titel van het derde essay, dat ValĂ©ry schreef in 1938, onder de dreigende slagschaduw van de Tweede Wereldoorlog. Niet specialisten en vakidioten, aldus ValĂ©ry, zijn bepalend voor de toekomst, wel onafhankelijke denkers, uitvinders en filosofen “in wier hoofd geen enkele geĂŻsoleerde vraag ronddwarrelt”. “MĂȘme dans la tĂȘte la plus solide la contradiction est la rĂšgle”. ValĂ©ry acht het urgent de geesten opnieuw te interesseren voor het lot van de geest.

Onder ‘geest’ verstaat ValĂ©ry “de mogelijkheid, de behoefte en de energie om de gedachten en de daden die niet nodig zijn voor het functioneren van ons organisme of die niet streven naar een zo economisch mogelijk functioneren, apart te ontwikkelen”. Het vermogen tot transformatie dus, een intellectueel avontuur waarvan het perspectief veranderlijk is. Deze ‘onnutte’ functie beschouwt ValĂ©ry als complementair aan het dierlijke vermogen tot lijfsbehoud, het fysiologische ritme, de pragmatische benadering. Het is niet of/of, meent ValĂ©ry, want met dezelfde organen, dezelfde spieren, dezelfde zenuwen kunnen we evengoed lopen als dansen.

ValĂ©ry ziet de geest dus als een waarde. Hij hanteert economische begrippen als waardering, “beoordeling van het belang, en ook discussie over de prijs die men genegen is te betalen voor deze waarde”. De publieke opinie, klaargestoomd op alle krantenpagina’s, weerspiegelt dagelijks de ‘beursnotering’ van deze waarde en laat ze concurreren met andere waarden op de grote markt van menselijke aangelegenheden. De taal van de beurs gebruiken in verband met geestelijke zaken, is vreemd, maar de analogieĂ«n zijn onmiskenbaar: er is productie, er is consumptie, er is vraag en aanbod, er is uitwisseling. In een dergelijk systeem gaan het individu en het collectief voortdurend de confrontatie met elkaar aan. Ze moeten proberen elkaar te begrijpen, of elkaar het zwijgen op te leggen.

Vrijheid is een bedenksel en altijd een antwoord, besluit ValĂ©ry. We voelen ons vrij wanneer we ons een toestand beginnen voor te stellen die contrasteert met onze huidige toestand. “Aangezien de behoefte aan vrijheid en het idee van vrijheid zich niet voordoen bij hen die geen last hebben van hinder en van dwang, zullen de term en de reflex vrijheid zich ook minder voordoen naarmate men minder gevoelig is voor die restricties.” Diegene die geen hinder ondervindt van die pressies, zal geen opstandigheid voelen. “Integendeel, in heel wat gevallen zal hij zich opgelucht voelen, bevrijd van een vage verantwoordelijkheid. Voor hem zal zijn verlossing, zijn vrijheid bestaan uit het zich ontlast voelen van de zorg om na te denken, te beslissen en te willen.” “U ziet de enorme consequenties hiervan: van mensen wier gevoeligheid voor geestelijke dingen zo zwak is dat de druk die wordt uitgeoefend op de productie van geestelijke werken voor hen onwaarneembaar is, valt geen reactie te verwachten, tenminste geen uiterlijke.”

ValĂ©ry concentreert zich in zijn essays louter op het intellect. Hij beseft dat dit gezichtspunt onvolledig is, maar een andere optie heeft hij niet. ValĂ©ry onthoudt zich van een oordeel; er zijn geen rechten van de geest, als er geen macht is. Uit plichtsbesef kan hij niet anders dan te appelleren aan het belang van het behoud en het onderhoud van de waarde van de geest. Piet Meeuse, de vertaler van deze doorwrochte essays, koos ervoor de “soms veeleisende maar karakteristieke lange zinnen” van ValĂ©ry te behouden. Dat vergt de nodige concentratie, maar het siert Meeuse dat hij niet bezweken is voor de verleiding van het hapklare. Ook dat is waardering van de geest.

Eerder verschenen op Mappalibri en op Geendagzonderboek